Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was weer een teleurstelling. Haar geluk, dat had moeten uitlachen boven haar trieste dagen, bleef stil en gedoken zitten in haar. Ze kon het niet anders aannemen als een offer voor haar verstand, waar haar wil bijna willoos bij stond te kijken, als iemand die een ander laat begaan, het niet tegenwerkt, het goed vindt, doch voor geen deelen in de vreugde iets gevoelt. Langer praten hielp niet, dat wist ze wel: een besluit was altijd beslissend; daar werd niet op teruggekomen. En den volgenden morgen, toen ze haar zoo blij-gedachte gave neerlei voor de voeten van den God van liefde, die Zichzelf eerst had gegeven, geheel en al, dacht het haar dat ze een schat van witte bloemen bracht naar den Heiland, maar tot haar groote verbazing, waren ze zonder den gewonen goeden geur: toch zagen ze frisch en blinkend wit, niet in 't minst verwelkt, maar de zoete aroom was verdwenen. Ze schreide bij haar dankzegging en het was niet van droefheid alleen, voelde ze, want haar overtuiging stond in ongewone duidelijkheid voor haren geest: ze deed iets goeds, iets wat God aangenaam was, en wat Hij zou zegenen.

Het leven van iederen dag veranderde niet in het minst door haar dapper voornemen. Even opgeruimd, even blijmoedig ging ze haar gang. Het eenige, wat ze in zich zelf opmerkte, was een kern van sterkte in haar wezen, een besef van enger gebonden te zijn aan God, door een verplichting van trouw, welke haren ijver aanvuurde. En soms was het of er licht door haar binnenste gleed, wan-

Sluiten