Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op een middag, dat Christien even op een boodschap uit was, kwam de geestelijke weer eens het goede oudje bezoeken. En of het zoo afgesproken was, kwamen al spoedig beider gedachten op dat eene punt: kon dat zoo blijven? Het oude moedertje begon te klagen: waar moest dat heen? Christien was goed, daar viel niets op te zeggen, maar ze deed maar juist, of altijd alles zoo zou blijven, of ze geen zörg had. Zij wist dat beter, het ging niet op den duur. Beter worden? och, 't was al zoo weinig meer. Het kon niet. Waar niets verdiend werd, liep het op een einde. Ze had al eens gedacht, — en het kwam er o zoo voorzichtig uit, met een zelfde gevoel als iemand die vreest een pijnlijke plaats aan teraken — naar het gasthuis! Ze hadden nu nog wel wat, ze zou er netjes in kunnen komen. Maar Christien, die wou dat zeker niet hebben. Zij zelf deed het niet graag, maar als het nu eenmaal moest!

Daar trippelden vlugge stappen de trap op. Het was Christien. Bij *t in de kamer komen, schikte ze haar haren een beetje bij, en schrok, toen ze den geestelijke zag zitten bij het bed. „O, wat spijt me dat! Dat u ook juist nu moest komen. Ze hadden het bij Jacobs niet, en daarom ben ik maar even doorgegaan naar van der Lee op de Markt, legde ze uit tegen moeder. En toen tegen den priester: Moeder heeft zoo graag bouillon, maar hier op den hoek waren geen blokjes meer te krijgen. En dat is nu een stad," lachte ze. „Maar zult u niets gebruiken? Een tas koffie? Niet? Gaat u nu al? En moeder heeft zoo graag, dat u komt."

Sluiten