Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Daarom kom ik nog een keertje meer terug," antwoordde hij. „Dan praten we wel verder, niet waar moeder? Ja, moeder is aan *t kwaadspreken geweest," dreigde hij tegen Christien.

— Van mij ? Is dat waar, moeder?"

— Wie zou er van jou kwaad kunnen zeggen ?" gaf moeder ernstig terug.

Hij had dus met moeder zitten praten. Over haar? Och, wat zou dat? Wat had ze daar in 's hemelsnaam toch mee noodig? Als ze 't moeder eens zijdelings vroeg, flikkerde 't in haar op. Ze verzette die lastige gedachte, trachtte zoo onbezorgd mogelijk te zijn. Maar achter dat opgeruimde gezicht zaten zorgen te turen, te staren. Ze wist ook wel, dat moeder niet beter werd. De dokter zei er zoo weinig van. Een heele tijd kon het duren. Moeder was altijd zwak geweest en op zoo'n leeftijd! Een ander in huis halen? Het moest maar treffen, dat het een goede voor moeder was, en dan moest ze weer bijna evenveel weggeven, als ze zelf verdiende. Maar kon het zoo wel blijven op den duur? Ze zat tusschen licht en donker voor het raam. Moeder sliep rustig, ze hoorde haar adem regelmatig op en neer gaan. Waarom moest ze nu denken aan hetgeen ze vroeger eens zei: „Ik word zuster, ze zouden u ook nog wel willen?" Moeder... naar het gasthuis? Het was een oplossing, maar ze wilde die voorbijgaan. Ja ze zou daar goed zijn, ze zou een goede verpleging hebben, ze konden het nog doen.

— En dan ik naar 't klooster", kwam het ineens in

Sluiten