Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moeder weg. Wat maakte ze 't goed! Gelukkig, dat ze al beter werd. Ze mocht al opzitten na den middag. En zóó als Zuster Stephana over dat oudje gestuit had! Niets lastig, niets eigenzinnig en zoo dankbaar!

Ze had gelachen: hoe zou mijn moederke ook ontevreden kunnen zijn, zoo'n heilig vrouwke.

— En ze stuit ook zoo van Stientje, plaagde de Zuster.

Geen wonder, die heeft ze maar één, gaf ze terug. Wat deed het haar deugd, eiken dag opnieuw bij

moeder te komen. Wat genoot ze, als ze een kleine versnapering kon meebrengen. Moeder was zoo tevreden; de Zusters waren zoo goed, ze had het zoo gemakkelijk, eiken morgen mocht ze te Communie gaan. Dat had ze nog nooit gekund. Vroeger was 't al mooi, zoo ze elke veertien dagen of om de maand ging. Den laatsten tijd thuis was ze te oud; ze kon niet laat nuchter blijven. Hier werd al vroeg de H. Communie rondgebracht, eiken dag zoo ze verkoos. En ze had zoo'n mooien tijd om te bidden.

— En dikwijls bid ik ook voor jou, Stientje.

— Wat vraagt ge dan voor me, moeder, vroeg ze plagend, een goeden man ?

Vragend keek het oudje haar aan. Zou ze dat meenen? 't Was anders altijd zoo'n plaaggeest.

— Dat ge altijd braaf en tevreden moogt blijven, zei ze eenvoudig.

Was dat eigenlijk ook niet het beste gebed, overdacht Stien 's avonds bij zich zelf. Ja, ze mocht gerust bidden.

Sluiten