Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stien speelde met de kleine zus... hield haar hoog, vader tegemoet, en lei ze in zijn open armen.

— Wat ben je toch goed Stien... zei hij zacht. Ze ontweek zijn blik, nadat ze hem bij die woorden verrast had aangezien...

Even bloosde ze. Hij ging door:

,— Is ze al lang weg? en maakte met zijn hoofd een beweging naar de deur.

— Een paar minuten...

Hij haalde minachtend de schouders op en zuchtte.

— Nu laat ze jou het werk nog doen ook... 't Is treurig... Als ge eens wist, Stien, wat een verdriet... Maar ge zult al wel gemerkt hebben, dat het niet erg goed onder ons gaat...

Onwillekeurig had ze geluisterd in het begin. Duidelijk zag ze nu den toestand, welken ze had beleefd den laats ten tijd... Alle kleine onnoozele trekjes vloeiden samen als zoovele donkere vlekjes om één donker levensgeheel te teekenen. Maar ook haar kiesche fijngevoeligheid en een onwillekeurige huiver voor iets gevaarlijks kwamen in haar op...

— Een man moet niet klagen over zijn vrouw tegen een ander... Wie lijdt, moet zijn lijden dragen.

Ze had het gezeid voor ze er erg in had, zooals men een onwillekeurige beweging maakt ten tijde van gevaar. Ernstig en toch niet hard waren haar woorden geweest.

Ze troffen den man. Even dacht hij na:

Sluiten