Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen ge gingt?... Of lag het aan uw gebogen hoofd?... Hebt ge den zang van hun blijde woorden niet gehoord? Saam deden ze 't u aan, wie zal u nu vragen? Wie u *t ambt hergeven? Wie.tenzijik, ik? Maar uw ziel, uw ziel...

— Wie zegt mij dat ge 't doet... en kunt? vroeg hij aarzelend en wenschend bijna dat hij een ontkennend antwoord zou hooren.

— Ik kan het, ik doe het! Vast en stellig!...

— Ook spoedig?...

— Nog zes weken maar...

Zes weken? Wat zou hij zich dan kunnen wreken, als 't waar was. Maar 't kon immers niet zijn, onmogelijk!... Die vreemde kende toch wel veel geheimen. Zou hij misschien?... Maar dan zijn ziel, zulk een prijs! Wat zou 't een goede tijd weer zijn van blij genot, wanneer hij terug was!

Hij zag ter sluiks naar zijn verleider, die wachtte, argeloos zoo 't leek, of hij de loome vlucht van een reiger volgde langs de blauwig-witte lucht, doch met venijnigspottend oog en listig-fijnen mond den innerlijken strijd van dien onnoozele gadesloeg. Neen *t mocht niet!... Die vreemde vroeg zoo veel! Zijn ziel!... Wie kon hij wel zijn?... Misschien de duivel wel, die kende zijn strijd, die wist zijn nijd. Kon die dan teruggeven wat verloren was ?

— Waartoe dat mokken en dat morren, heer ? Maar één weg is er open: uw ziel voor mij... Gij doet het niet?... Leef dan in suf verdriet en dure spijt!...

Sluiten