Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij rukte aan de staven, die een akelig geluid gaven in den nacht. Toen hurkte hij neer in een duisteren hoek tegen een pilaar, dicht aan het hek, het hoofd gekeerd naar de kapel en zoo wachttte hij en luisterde en dacht.

In zijn hoofd hoorde hij 't bonzen: dood! In zijn borst pijnde een verwijt: vervloekt! Hij steunde het hoofd met zjjn handen, de ellebogen leunend op de knieën. Grauw en zwart was het rondom. Ver vooraan zag hij een rooden.bewegelijken schijn: de godslamp brandde en beefde. Daar voor hem stond de Lieve Vrouw. Een groot beeld moest.het zijn: Maria met het kind op haar armen.

Als hij bleef kijken, kon hij de omtrekken raden. Maar hij had Maria gevloekt! Zuchtend hief hij het hoofd op, strekte zijn armen in smeeking uit, doch stiet zich tegen het ijzeren hek. Onwillekeurig kwam in zijn groote bedruktheid de bede in hem op: Maria, help me, en hij schreide.

Zoo viel hij, afgemat, in slaap.

Maria, de zoete en goede Moeder, had dien nacht op den armen Theophilus gewacht; nauwelijks hoorde ze den zucht uit dat zondige hart of ze was bereid te helpen.

Ze stond voor hem:

— Ge riept mij, Theophilus ?

— Wie ?... Ik ben verdoemd!

— Theophilus, ik ben gekomen om u te helpen.

— Helaas, ik heb u gevloekt! ga weg, weg!

— Gij hebt spijt, mijn vriend!

— Spijt ?... Ik berst van spijt! Ik was gek, ik was dom,

Sluiten