Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achter het altaar, in het hoekig priesterkoor, stonden de ramen nog in den donkeren gloed van niet doorzonde kleuren. Daar was wel licht achter, maar smijdig, zwaar en wollig bleven het rood en blauw der gewaden, het groen en paars der mantels, en de gelaten ernstig-mediteerend zonder de vonk van zon in de oogen, zonder de begeestering van het licht in trekken en houding.

Boven was het ├╝cht, en het scheen of de nevelige duisternis van beneden naar omhoog optrok, zweefde naar de lichtende ramen en naar buiten dreef, terwijl het licht altijd door aanvloeide en zich vleide in alle hoeken, langs alle kanten, en vulde de leegten, die de duisternis gelaten had. Op het altaar werden de witte kaarsen ontstoken; het werden bevende lichtjes in de schemering van het nog duisterige priesterkoor.

Daar kwam de priester, en bad met stille stem het gebed van boete en schuldbelijdenis voor het altaar, en ging vol moed op Gods genade omhoog, en offerde het brood en wijn en boog zich diep in groot gevoel van eigen onwaardigheid. Toen hief hij in zijn heilige handen den God van macht en liefde, schuilend onder witte broodsgedaante, en heel de kathedraal stond in de brandendhooge kleuren van het licht.

Theophilus sloeg snikkend op zijn borst en ging toen, schreiend van onwaardigheid, naar het heilig altaar, en droeg den zacht-brandenden gloed der groote zon, zijn God, in zijn lichtend-geworden ziel, als een kleurig raam. Hij was bekeerd.

Sluiten