Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op 21 April 1909 doen kennen als een tegenstander van schoolbaden. En in de Memorie van Antwoord op de Begroting voor 1910 verklaren B. en W. dan ook: „Bij B. en W. zijn wèl plannen tot wijziging in het gebruik der bestaande schoolkinderbaden in overweging, niet tot uitbreiding van het aantal schoolbaden." Die „plannen tot wijziging in het gebruik der bestaande schoolbaden" zijn gelukkig niet ten uitvoer gebracht: we veronderstellen, dat het niet veel goeds zal zijn geweest. De toestand bleef dus zoals ze was.

In 1914 trad Mr. de Vries als Wethouder af en werd opgevolgd door de heer Den Hertog. In 1915 heeft deze in een verkiezingsvergadering zijn standpunt in zake schoolbaden uiteengezet. Het verslag in het Handelsblad meldt daaromtrent: „Spreker is tegenstander van schoolbaden. De voornaamste grief van spreker tegen schoolbaden is, dat er gebaad wordt onder schooltijd. Sehoolbaden zijn een ondemokraties ding. Spreker wenst niet tegen de ouders te zeggen: gij hoeft uw kinderen niet te wassen, dat doen wij op school wel. Hij meent, de moeders te verlagen, als hij haar de zorg van de reinheid harer kinderen afneemt."

Het bleef er dus voor de schoolbaden in Amsterdam donker uitzien. En het antwoord van B. en W. op het Afdelingsverslag van de Gemeentebegroting was dan ook telkens even teleurstellend Totdat eindelik in Februari 1918 een voordracht in het Gemeenteblad verscheen, waarin B. en W. voorstelden, een bestaand Volksbadhuis uit te breiden met een kinderbad, welke voordracht na ampele diskussie 6 Maart 1918 zonder hoofdelike stemming werd aangenomen.

Amsterdam heeft dus aan 3 schoolgebouwen een badinrichting verbonden. De inrichting is vrij primitief, maar toch zeer goed bruikbaar. Een uitvoerige beschrijving van de inrichting en de werking van een dezer schoolbaden heeft de heer Schook gegeven

Sluiten