Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgedaan en de enquête van 1910 geven ons hiervoor de bewijzen. Zo schrijft het Bondsrapport van meergenoemde enquête:

„Van de meeste scholen komt het bericht: we verlenen onze medewerking, voor onszelf ongaarne, maar wel voor de kinderen met het oog op de goede zaak",

Uit het Genootschapsrapport blijkt, dat 18 personelen over 't algemeen gaarne de medewerking verlenen, slechts 3 niet.

Het Hoofdenrapport bericht hieromtrent: „De beantwoordingen dezer vraag zijn moeilik te rubriseren; toch moge hier een globale spesifikatie plaats vinden. „Het personeel verleent gaarne medewerking", aldus werd medegedeeld door 11 leden, soms met bijvoeging dat een of twee der leden van het personeel bezwaren hadden. — „We gaan niet gaarne, doch doen het terwille van de kinderen". Hieraan was soms toegevoegd, dat een enkel lid wel gaarne bereid was. — „De onderwijzers zijn wel bereid, de onderwijzeressen hebben bezwaren", Zo luidde het in de antwoorden."

Ook uit de onderwijzers-vakbladen blijkt meer dan eens, dat het met de medewerking van de onderwijzers(essen) niet zo droevig is gesteld, als men wel eens voorstelt. En wat die gevallen van weigering betreft, men vergete hierbij vooral niet, dat die plaats heeft op verschillende motieven, en dat de meeste bezwaren gemakkelik uit de weg zijn te ruimen.

In een vergadering van onderwijzers en onderwijzeressen die hulp verlenen bij het baden, in 1917 belegd door het Bestuur van de Afdeling Amsterdam van de Bond van Nederlandse Onderwijzers, werd unaniem de wenselikheid uitgesproken van toezicht door de onderwijzers en onderwijzeressen. Gelooft men, dat een dergelijke wenselikheid wordt uitgesproken, zonder daarbij enige verplichting te gevoelen?

Over het algemeen zal het met de medewerking gaan, zoals het rapport van de Afdeling Amsterdam van de B. v. N. O. schrijft, n.1. dat de onderwijzers zich beschikbaar stellen in het belang van de goede zaak.

Sluiten