Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Een zeer krachtige noordwesten wind gierde met lange, woeste vlagen over het stadje Dover op de Engelsche kust.

Het was ruw, ongezellig weer; de vorige week had het bijna onophoudelijk geregend, doch eensklaps was de wind geruimd en nu was het koud en onaangenaam in de lucht.

Toch had men beter weer mogen verwachteD want het was begin Juni van het jaar 1809, dus reeds bijna zomer.

In een der straten van Dover, die naar het strand loopen, stond in die dagen een herberg, die druk bezocht werd door varensgasten, visschers en schippersgezellen. Feitelijk was het een kroeg.

Het was een tamelijk laag, maar vrij groot gebouw met steenen muren, waarop ter halver hoogte houten wanden waren gebouwd. Het voorste gedeelte van de herberg was hooger dan de achterste vertrekken en bestond uit de gelagkamer, een paar woon- en slaapkamers van den kastelein en diens gezin; daarachter waren een paar ruime lokalen, die tot bewaarplaats voor allerlei soort goederen dienden.

De ruime gelagkamer met haar donkere, berookte wanden bood een somberen aanblik. Een viertal kaarsen, weinig licht maar des te meer walm verspreidend, waren op een paar tafeltjes geplaatst, die in het midden van het vertrek stonden; het overige gedeelte van het lokaal was vrijwel in het duister gehuld.

Tegen den achterwand bevond zich een soort buffet, als men dien naam ten minste geven mag aan een drietal planken tegen het houten beschot gespijkerd en beladen met kruiken, flesschen en bekers, alles groezelig, dof en vuil.

Daarvóór bevond zich een halfcirkelvormige toonbank, terwijl

1

Sluiten