Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van verscheidene kanten kwamen, door het rumoer aangelokt, boeren toeloopen en hij begreep dat er geen tijd te verliezen was, wilde hij niet gevangengenomen worden. In razenden vaart joeg hij zonder bepaald plan ia de richting van Dover; dicht bij deze plaats stortte het afgejakkerde dier dood neer. Hoewel zijn wonde hem veel pijn deed en danig verzwakte, strompelde hij voort tot aan de herberg „Het Gouden Anker", in de hoop daar gelegenheid te vinden tot den overtocht naar Holland.

Het overige is ons bekend.

De logger „De mooie Emily" dobberde op het wild bewogen water van de haven, vastgehouden en bedwongen door zijn trossen en uithouders.

Dicht bij de kade stond een klein huisje, waar blijkens het uithangbord een zeilmaker woonde. Bob Waters ging daar binnen en sloot de deur achter zich; kapitein Lankhurst wachtte in angst en vreeze, buiten, achter een dikken boom beschutting zoekende tegen den nog altijd hevigen wind. De smokkelaars bleven op een korten afstand, de handen in de broekzakken, staan kijken.

Zij beschouwden den voorgenomen overtocht als een dollemansstreek en terecht.

Even later kwam Bob Waters weer naar buiten en met hem een lange, magere, roodharige jongen, die hevig scheel zag. Deze knaap was Dick Bowles, de zoon van den zeilmaker, en door geheel Dover bekend en gevreesd om zijn dolle streken en waaghalzerij.

Bob, die nog steeds het pak droeg, hem door Molly Dawson ter hand gesteld, stapte aan boord van den kotter, gevolgd door Dick Bowles, die een bak met levensmiddelen en een waterkruik droeg.

De duisternis begon intusschen te vallen en de storm scheen eer toe dan af te nemen. De lucht was nu loodgrijs en zware wolken joegen driftig naar het oosten. Nu en dan vielen enkele dikke regendruppels.

De zware, witgerande golven joegen nog steeds over elkaar heen en er behoorde moed toe in zulk noodweer een vaartuig naar buiten te brengen.

Sluiten