Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Silvio. Hieldt gij van menschen niet? Mara. O ja, maar eerst nadat ik ze voorgoed verloren had werd mij die liefde klaar. En nu, nu gij met mij gesproken hebt, Silvio, weet ik, dat ik zeker van

de menschen houden zou, als ik kon keeren

Is niet één minnelijke mond genoeg

den smaad van duizend andre te verzoeten?

Silvio. Wie dorst u smaden, arme kleine Mara ?

Mara. Het valt mij zwaar te blijven denken dat

de hemel Zelf mij niet met smaad bedekte

Och Silvio, toen voor het eerst het kwaad dat in mijn lichaam was geslopen, als een gruwelijke giftbloem open-look......

Mijn vader, die bereisd was in het oosten, herkende dadelijk de wond die ik

hem toonde en verstootte mij...... en allen

verstootten mij......

Op welke wijs het gif mij is genaderd, weet ik niet; <— wellicht kwam 't van den ouden, blinden bedelaar, dien 'k op een avond aan den landweg vond. Ik troostte hem, en reinigde zijn wonden, ik ging naar 't dorp om hulp, maar toen ik keerde met hulp-bereiden en nieuwsgierigen, was hij gestorven; ■— men begroef hem waar hij dood gevonden was. Toen 't schrikkelijk geheim van mijne ziekte zich verbreidde, gedachten velen aan den bedelaar, dien ik had bijgestaan, men noemde mij een dwaas, en schuwde mij, en wierp mij uit. Ik zwierf rond in de bergen tot men mij

ving als een vogel, en mij bracht naar hier

Silvio. Was er niet een, die door een enkel woord van teederheid uw zwaren tocht verlichtte? Mara. Niet een... zoo nog mijn moeder had geleefd dan zou geen deernis mij ontbroken hebben,

Sluiten