Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik menschen in mijn eenzaamheid te minnen begon, nadat ze mij verworpen hadden. Gij zijt toch ook van menschen, Silvio, en zou men om de goedheid van één hart niet veel verdwaalde harten mede-minnen? Silvio. Mara, hebt gij mij lief? Mara. Ja, ja, ik heb

u lief! ja, Silvio, nu weet ik, dat

ik u heb liefgehad van 't uur, toen gij voor 't eerst mij toegesproken hebt, en mij den klank van uwe woorden niet onthieldtl Ik hef mijn hart van teederheid vervuld, een bloem gelijk van geuren overvol, en leg het aan uw voeten neer, al zoudt gij het vertreden, en de bittre pijn mij rooven 't edelsteen van late vreugd

dat mijn gewaad van poovre ellende tooit

Silvio. Mara!

(Hij wil op haar toetreden).

Mara. Terug! ik ben onrein!...... onrein!! ...

(Einde van de tweede handeling).

DERDE HANDELING.

(Zelfde tooneel als in de tweede handeling, vroege morgen, over de zee een allengs opklarende nevel, Silvio).

Silvio. De zachte regen heeft den zomernacht doorzongen met zijn liefelijk geluid; nadat de duisternis die twee te zaam gehouden had, vermocht het licht ze met van-één te voeren : nacht en regen zijn terzelfder tijd geweken, en de nevel vaagt voor den glans der groote morgenzon. Maar welke zon zal in mijn hart den mist verheldren tot de klaar- doorschouwde rust waar niets te ontraads'len meer in over blijft? De nacht kwam tot mijn starende oogen niet

Sluiten