Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45. Bestrijding van den woeker.

den eed in rechten te vorderen dat de schuld werkelijk is voldaan:

Bij Ind. Stbld. No. 643 van 1916 werd een Koninklijk besluit van 17 Juli van dat jaar afgekondigd houdende vaststelling van een voor alle bevolkingsgroepen geldende regeling tot bestrijding van den woeker. Daarbij wordt aan den rechter (welke deze rechter is, zal afhangen van het bedrag der schuld en van den landaard van partijen) de bevoegdheid gegeven, op verzoek van de benadeelde partij, de verplichting dier partij te matigen dan wel de geheele overeenkomst nietig te verklaren. De rechter zal daartoe moeten uitmaken of er werkelijk van woeker sprake is. Hiertoe moet, blijkens wettelijke bepaling, misbruik zijn gemaakt van de lichtzinnigheid, de onervarenheid of den noodtoestand van den bedrogene om een onevenredig voordeel te bedingen. Ook al brengt de woekeraar geschriften aan, waaruit zou blijken dat van geen woeker sprake is, kan de bedrogene door getuigen het tegendeel bewijzen.

De rechter zal altijd bevoegd zijn om partijen de noodige voorlichting te geven en haar opmerkzaam te maken op de rechts- en bewijsmiddelen, die zij kunnen aanwenden. Het is best mogelijk dat de woekeraar de zaak aanhangig maakt, maar de rechter mag slechts ingrijpen op verzoek van den bedrogene, al kan hij dezen wijzen op het middel dat de wet hem aan de hand doet.

Behalve de rechter kunnen ook de bestuursambtenaren en andere volksvrienden aan de benadeelde personen de noodige steun en voorlichting geven, het geen wel noodig is daar anders wellicht de lijdzaamheid, de onwetendheid, de vrees of het ontzag voor den woekeraar, de afhankelijkheid van dezen, de angst voor vergeefsche moeiten en kosten de benadeelde partij er van afhouden het haar geboden middel aan te wenden.

Toch zijn aan dit middel tot woekerbestrijding enge grenzen gesteld. Wanneer op woeker gelijkende overeenkomsten niet het gevolg zijn van de bovengenoemde bij-

Sluiten