Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meen volkenrechtelijk werk uit dien tü'd. Alleen voor het Internationaal Privaatrecht is hier, in de tweede helft der negentiende eeuw, meer belangstelling ontstaan. Op dat gebied heeft Nederland, voorgegaan door Tobias Asser, de leiding in handen weten te nemen, en aan Nederlands initiatief zijn de verdragen van Internationaal Privaatrecht en de Brusselsche Zeerechtverdragen te danken, een werk dat echter thans helaas ook weder door een afbrokkelingsproces wordt bedreigd.

Eerst nadat, dank zij vooral Assers levenswerk, Den Haag tot zetel der werkzaamheden van de Vredesconferenties was gekozen, is de belangstelling ook in de volkenrechtswetenschap hier weder herleefd. Toen ook heeft de Utrechtsche hoogleeraar De Louter den loffehjken arbeid ondernomen, een Nederlandsch werk over hedeiflaagsch volkenrecht in het licht te geven, een daad, waarvoor ook zü' in waardeering niet willen achterstaan, die de positivistische volkenrechtsopvatting van dezen geleerde niet kunnen deelen.

Heeft de verhoogde belangstelling in het volkenrecht ook haar invloed op Nederlands arbitrage-politiek doen gevoelen? Men hoort wel het verwijt, dat het land, dat zoozeer belang heeft bh' de handhaving van den vrede, zich niet voldoende doordrongen heeft getoond van het gewicht, om door bevordering der internationale arbitrage te trachten, de gewapende conflicten te voorkomen; dat het ten opzichte van arbitrageverdragen dezelfde „egelpolitiek" voert, die het op het gebied der internationale staatkunde steeds heeft gevolgd. Ik geloof niet, dat dit verwijt gegrond is. Den wil om in geval van geschillen met andere mogendheden den scheidsrechterlijken weg te bewandelen, heeft Nederland bij herhaling getoond: bij de kwestie over het Aves-eiland met Venezuela in 1858, over de Havanna-Packet met San-Domingo in 1881, over de grensregeling tusschen Suriname en Guyana met Frankrijk

Sluiten