Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1888, in de zaak van de Costa-Rica-Packet met Engeland in 1895, bn* de regeling der Venezolaansche claims in 1903, bij de grensregeling op Timor met Portugal en in de Narikzaak met Griekenland, beide in 1913. Ook nog tijdens den Wereldoorlog heeft het herhaaldelijk op arbitrale beslissing van geschillen aangedrongen; dat slechts in enkele gevallen eenig resultaat is bereikt, is niet aan Nederland te wijten.

Wanneer men zou willen opmerken, dat Nederland voor arbitrage-verdraflreïi weinig belangstelling toont, dan is dat misschien waar ten opzichte van die, welke onder schoonklinkende phrasen aan de hooge contracteerende partijen precies dezelfde vrijheid laten om al of niet te arbitreeren, als ze zonder het verdrag zouden hebben. Het Hollandsche volk is te nuchter om niet in te zien, dat de practische beteékenis van een verdrag, dat, gelijk het tractaat met Engeland, een verplichting tot arbitrage oplegt op voorwaarde dat het geschil niet raakt de levensbelangen, de eer of de onafhankelijkheid van een der partijen of de belangen van een derde mogendheid, dat de practische waarde van zulk een verdrag vrijwel denkbeeldig is, zoolang het betrokken land zelf zal uitmaken of een dezer uitzonderingsgevallen zich voordoet. Komt onder zulk een verdrag een arbitrage tot stand, dan zou zonder verdrag die arbitrage er ook wel gekomen zijn. Maar, kan men vragen, waarom dan niet meer verdragen gesloten als met Denemarken in 1904, met Italië in 1909 en laatstelijk met China in 1915, waarbij elke beperkende clausule ontbreekt en krachtens welke dus alle geschillen zonder uitzondering aan arbitrage moeten worden onderworpen? De oogst aan zoodanige verdragen is zeker niet groot, maar wie hiervan Nederland een grief wil maken, zal toch eerst hebben aan te toonen, dat het in de gelegenheid is geweest meer van die tractaten te sluiten. Het gaat met deze grieven als met het ook zoo' dikwijls gehoorde verwijt, dat Nederland in den oorlog niet voldoende aansluiting bij de

Sluiten