Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inlandsche kringen, van waaruit gemakkelijk dwang op godsdienstig gebied op de breedere lagen der bevolking kon uitgeoefend worden.

Zelfs in het Madjapahitsche koningshuis kwam de Islam door het sluiten van een huwelijk binnen. Immers trouwde (volgens de overlevering) Kertawidjaja, die van 1447—1451 regeerde, met een prinses van Tjampa, ') die den Islam zou bevorderd hebben. Deze vorstin werd, hoewel haar , man daar eerst bezwaren tegen moet gehad hebben, in 1448 Mohammedaansch begraven. Haar grafsteen wordt op het terrein van de vroegere hoofdstad, nog aangewezen. Over haar neef, Raden Rahmat, den lateren Soenan Ngampel, zal hieronder gesproken worden.

Ook uit Pasei in Noord-Soematra, waarmee Java handel dreef, kwamen verschillende Mohammedanen aan de bekeering der Javanen meewerken; tot dezen behoorde vermoedelijk de bekende Soenan Goenoeng Djati 2).

Voortdurend groeide nu het aantal Mohammedanen op Java aan. De Gouverneurs in de kuststreken, die in de nieuwe leer een middel zagen om het oppergezag van hun nog Hindoeschen meester van zich af te schudden, waren in het eerste kwart der 16e eeuw reeds bekeerd. Zij bestreden hun Hindoesche naburen met succes en in 1535 was het reeds duidelijk, dat aan de Mohammedanen de overwinning zou zijn. Al hielden op het eind der 16e eeuw de bewoners van het binnenland zich nog bijna allen aan hun Sjiwaïsme, een georganiseerd verzet tegen den Islam ging er van hen niet uit. Hun overheerschers waren Mohammedanen en deze drukten voortaan hun stempel op het leven van Java.

Hoe komt het, vraagt men zich af, dat de Islam, die ons in bijna alle opzichten zoo geheel verschillend van het reeds eeuwen op Java beleden Sjiwaïsme en Boeddhisme toeschijnt, de bewoners in zoo betrekkelijk korten tijd tot zijn aanhangers heeft weten te maken?

De voornaamste oorzaak daarvan is waarschijnlijk wel deze geweest, dat de nieuwe leer zich in den beginne hier in een bekend en bemind gewaad vertoonde, waardoor zij de Javanen geleidelijk, zonder plotselinge schokken of geweldpleging voor zich won.

Wij zagen n.1., dat Java zoowel uit Malaka en Noord-Soematra, — beide door Voor-Indiërs bekeerd — als door Goedjaratten en Perzen den Islam ingevoerd kreeg. ' De leer had zich in de landen dier Sjiwaïeten aan de denkwijze der bewoners aangepast, zoodat b.v. de nadruk dien de bij voorkeur handelend optredende Arabieren op het doen lieten vallen, daar naar het denken verlegd was, in overeenstemming met de meer beschouwende levensopvatting dier volken. De verhouding van den mensch tot God was daardoor een punt van veel meer gewicht geworden dan het stipt opvolgen van de ceremoniëele voorschriften. De zoo eenigszins Boeddhistisch en Sjiwaïetisch getinte leer kwam nu op Java weer met Sjiwaïeten en Boeddhisten in aanraking en deed

J) In t.w. Fransch Indo-China, Achter-Indië. 2) Over hem wordt later gesproken.

Sluiten