Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Malaka, en dezen vele geschenken ') liet aanbieden. Hulp echter hebben, voorzoover wij weten, de hierdoor gewekte vriendschappelijke gevoelens der Portugeezen voor Praboe Oedara niet opgeleverd.

Daar nu deze Hindoevorst in 1515/6 nog regeerde, moet de verovering van Madjapahit door de Mohammedanen, na dat jaar plaats gehad hebben en naar men uit de, weliswaar onduidelijke, berichten der Portugeezena) mag besluiten vóór 1521, vermoedelijk in 1518. Daar de stad Madjapahit in 1518, evenmin als in 1478, verwoest werd en er geen bevredigende mededeelingen uit den tijd zelf over de gebeurtenis tot ons zijn gekomen, tasten wij omtrent den verderen gang van zaken in 't duister.

Wat het voortbestaan der oude heidensche stad aangaat: vermoedelijk had zij niet de sympathie van haar Mohammedaansche veroveraars en geraakte zij steeds meer in verval. Veel van het fraaie materiaal harer gebouwen werd, naar gezegd wordt, door de nieuwe heerschers weggehaald om daarmede hunne steden te versieren. In 1522 werd Madjapahit nog als de eerste onder de groote steden van Java vermeld, in 1541 bestond ze nog en zelfs in 1677 wordt zij nog genoemd en komt ze op een kaart uit dien tijd voor.3)

Dit is te midden van de onvastheid der feiten wel zeker, dat de overgang van Hindoesche op Mohammedaansche machthebbers en van den ouden godsdienst tot den Islam veel minder gewelddadig in zijn werk is gegaan, dan het in de Javaansche babad's wordt voorgesteld. Geen minachting voor het oude Hindoeïsme bestond er bij de overgroote meerderheid van het Mohammedaansch wordende Java, dat op zijn animistischen ondergrond in bijna alle opzichten, 4) behalve in godsdienstige gebruiken, voortleefde zooals het dat in den Hindoetijd had gedaan.

l) Dit waren zeer eigenaardig-Javaansche n.1. twintig kleine metalen klokken, waarop men met houten staven sloeg en die accoorden vormden (de bonangs in de gamelan), verder „een doek, zoo lang als een beirami (een lang weefsel uit Cambay) waarop geschilderd waren al zijn ('skonings) veldslagen met zijn wagens met houten kasteelen, door paarden getrokken, en olifanten met dergelijke kasteelen, en de koning in die wagens met vier vlaggen en geschilderd met zijn gevolg, en ieder ding afzonderlijk en zoo natuurlijk, dat het niet beter kon". Ten slotte nog twaalf lansen, met ijzeren punten.

(Uit het artikel „Schilderkunst" van Rouffaer in Ene. N. I. Ie. druk. III pag. 560, aanhaling uit den Portugéeschen historicus Castanheda. Het is een aanwijzing voor het bestaan van schilderkunst in de Hindoeperiode op Java, zie ook Veth Java2 I pag. 262.

*) Pigafetta zegt n.1. bij de opsomming der groote steden van Java in 1522: le. Madjapahit, welks Koning, toen hij leefde, de grootste was van al de Koningen der naburige eilanden, en hij heette Radja Pati Oenoes", welke laatste naam echter volgens vermoeden van Dr. N. J. Krom „Udara" moet zijn, over wien in den tekst tevoren is gesproken; zie de genoemde artikelen hierover.

3) Dr. B. Schrieke vestigde daarop de aandacht in: Uit de geschiedenis van het Adat Grondenrecht I. Ts. Bat. Gen. deel LIX pag. 179 noot 8. Zie: De Jonge: De opkomst van het Nederlandsch Gezag in Oost-Indië Deel VII pag. 184 en de kaart aldaar pag. 256. Troenodjojo (over wien later) wilde zich te Madjapahit vestigen. Ook in den modernen tijd zijn van het terrein van het oude Madjapahit vele steenen weggehaald voor het oprichten van allerlei gebouwen in de nabijheid.

*) Zie Rouffaer in Ene. N. I. II le. druk, artikel Kunst pag. 332 en vlgg.

Sluiten