Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bantam ten allen tijde van het noodige kon voorzien. Vee alleen was er niet te koop, daar er weinig tamme runderen in 't land voorkwamen. De fraaie woningen der Chineezen waren om het brandgevaar en voor de veiligheid van steen gebouwd; het houtwerk er aan, werd bovendien nog vaak met steenen en zand beschermd.

De voorname heeren van Bantam, de poenggawa's (d. z. districtshoofden) verschenen buiten steeds met een of twee mannen (geen slaven, maar vrijen) die een spies en een sabel droegen, voor zich uit. Bij hun nadering moesten de gewone menschen en de slaven uit den weg gaan en neerhurken, tot zij voorbij waren. De gang van deze lieden, voor wie zoo ruim baan werd gemaakt, was zeer trotsch en hoogmoedig en ging met (voor vreemdelingen) zeer ongewone en zwierige lichaamsbewegingen gepaard. Fraai waren deze heeren gekleed in een zijden, vaak met goud doorstikte sarong, die tot over de knieën hing. Soms droegen zij een jasje met fluweelen en lakensche mouwen, maar gewoonlijk was hun bovenlijf naakt. Om hun kopiah was een tulband gewonden, waar het haar bij velen lang onderuit hing. Een kris, meestal een gevlamde met een fraai bewerkt hoornen of houten heft, stak in hun gordel. De nagels van hun handen lieten ze zeer lang groeien, hun tanden waren afgevijld en verguld of zwart gekleurd. Schoenen of muilen hadden ze op straat niet aan; het zou een groote schande zijn, als iemand die buitenshuis droeg; zelfs de koning deed dat niet. Binnenshuis, waar het wel paste, hadden ze roodleeren muilen aan.- Hun gevolg op straat droeg het sirihkistje, de gendih, de pajoeng en de zitmat en spiesdragers sloten den stoet.

De grootste rijkdom der poenggawa's bestond in het aantal manschappen, dat zij voor den krijg onderhielden en die hun eigendom waren. Die lieden waren, hoewel ze niet met musketten of geschut konden omgaan, zeer goede soldaten, stipt in 't gehoorzamen aan hun chefs en erg wraakzuchtig tegenover hun vijanden. Gage kregen ze in vredestijd niet; in geval van oorlog ontvingen ze kleeren en wapens o.a. harnassen, welke uit met ringen aan elkaar bevestigde ijzeren platen bestonden, verder uit krissen, sabels, een enkele keer nog soempitans (doch dit was ouderwetsch) en nog daarenboven den kost. Men zag deze volgelingen altijd bezig met het poetsen en schoonmaken van hun uitrusting.

De vrouwen van hooge afkomst, die in nog grooter aanzien stonden dan de voorname heeren, verschenen gewoonlijk niet buiten. Haar kleeding bestond uit een katoenen gebatikte of zijden sarong, die van boven de borst neerhing en soms ook los om het lijf was geslagen. Een aardig doekje hadden ze dikwijls om den hals. Haar kapsel was weinig fraai: er was een knoop in de haren gelegd „gelijk een traag voerman de staarten van zijn paarden opsteekt".')

i) Aldus de Hollandsche admiraal Van Neck; ook de Engelschman Scot vergelijkt die haren met paardenstaarten.

Sluiten