Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben van de Tjikande tot de Tjitaroem en van Pelaboehan Ratoe tot het gebergte van Dajeuhloehoer en Pamotan (tegenover Noesa Kambangan) daar ook onder stond, is echter de vraag. In de ontoegankelijke bergwouden zal het Bantamsch gezag, zoo het bestond, vrijwel een fictie zijn geweest. Wij zagen ook, dat Mataram in 1595 het landschap Galoeh veroverde zonder dat dit oorlog met Bantam tengevolge had; daarom is het waarschijnlijk, dat de hoofden er vrijwel onafhankelijk waren. Het is mogelijk, dat Mataram de Preangerlanden, die niet onder Bantam of Cheribon stonden, in 1599 veroverde; een niet nader bevestigd Inlandsch bericht beweert zelfs, dat de Z. O.-Preanger reeds ten tijde van de suprematie van Padjang aan Mataram behoorde. Zeker is, dat zijn gezag er steeds grooter werd en dat de hoofden Mataramsche regenten werden, waarvan verscheidene, zooals de Soemedangsche, voorname krijgsoversten van Mataram zijn geweest. Soemedang, dat vermoedelijk van Indramajoe uit (waar Mataram later invoerrechten hief) langs de Tjimanoek bereikt werd, was er het middelpunt van de vreemde heerschappij, die, naar het schijnt, in de Zuid-Oost-Preanger langs de Tjitandoewi binnen drong. Merkwaardig is echter, dat, al werd de Soemedangsche kraton herhaaldelijk vernield, het hoofd zich dan naar Dajeuhloehoer terugtrok en dat deze bergvesting nooit werd ingenomen.') De voordeden, welke Mataram in dien tijd van deze ver verwijderde en dun bevolkte streken trok, waren niet zeergroot; het is bekend dat de bewoners er een hoofdgeld betaalden, dat zij verplicht waren tot eenige bepaalde diensten of retributies en dat de hoofden eens per jaar hun opwachting te Mataram moesten maken. Van Bandoeng2) wordt vermeld, dat het in de 17e eeuw paarden voor den oppervorst onderhield en dat een hoofd aldaar elke drie maanden vogelnestjes, tangkalohout (voor krisscheeden) en slijpsteenen moest leveren. Oekoer had hertenvleesch en visch op te brengen, Galoeh geruite kleedjes en geruite stof voor buizen. Op welk tijdstip echter met deze leveringen begonnen is, wordt nergens vermeld.

') Mededeeling van Majoor L. F. van Gent.

2) De hoofdplaats lag oorspronkelijk aan de samenvloeiing van Tjikapoendoeng en Tjitaroem en die plek heet nog heden Dajeuh Kolot d.i. oude stad, waar nog oude regentengraven zijn. Een oude naam ervoor was Krapjak (Jav. = afgeheinde plaats, hertenkamp) gesticht door Asfamanggala, den len Mataramschen regent en 200 gezinnen van Timbanganten en 200 overgebleven gezinnen van Depati Oekoer (over wien later). Op een kaart van 1742 ligt de plaats aan den rechteroever der Tjitarik, samenvloeiend met de Tjitaroem. In 1810 werd het door Daendels verplaatst naar Tjikapoendoeng aan den grooten weg. Dr. F. de Haan. Priangan III blz. 105.

Sluiten