Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het huis Mauritius, waar niemand anders toegelaten werd, post vatten. Een overval had er niet plaats (naar Coen's meening: dank zij de gereedstaande soldaten) en men scheidde met vriendelijke gezichten. Den volgenden ochtend kwam de pangeran van Djacatra verklaren, dat hij den avond tevoren, volk van hem had meegezonden, om de Hollanders bij een mogelijken aanslag van pangeran Gabang bij te staan, iets waarvoor Coen den koning „hoogelijk bedankte". Wat Coen's kwade vermoedens omtrent het bezoek zeer rechtvaardigde, was, dat te Bantam dienzelfden avond het gerucht liep, dat de G.G. vermoord en de loge te Djacatra verbrand was.

Een paar dagen later kreeg Coen bericht, dat er in Djacatra iets tegen hem broeide, waarom hij geld en koopwaar uit de loge maar de schepen op de ree overbracht. Widjaja Krama toonde zich over dit bewijs van wantrouwen zeer gegriefd en kwam, zonder beschuldigd te zijn, zijn onschuld betuigen. Telkens arriveerden er ook Bantammers te Djacatra met moorddadige plannen tegen den G.G., welke steeds verijdeld werden. De Hollanders voelden nu van allerlei zijden de gevaren opkomen en namen daarom, na ampele bespreking, den 22sten October (1618) het besluit, te Djacatra, zonder daartoe meer verlof te vragen, een volslagen fort rondom hun reeds bestaande vestiging te bouwen.') De Raad van Indië gaf Coen ook geen verlof meer naar Widjaja Krama in diens kraton te gaan, hoewel deze den G.G. herhaalde malen daartoe uitnoodigde. Eindelijk kwam toen de pangeran zelf in de loge, bekeek er de volgens hem geheel onnoodige verdedigingswerken, maar maakte alleen aanmerking op een hoog gedeelte daarvan, de zoogenaamde kat, die tusschen Nassau en Mauritius in, juist tegenover zijn stad lag en hij bezwoer nogmaals zijn betrouwbaarheid. Coen antwoordde daarop, dat een bevelhebber op alle ongevallen voorbereid moest zijn. Werden zij door eigen onbedachtzaamheid vermoord en van hun goederen beroofd, dan kon geen hulp van den pangeran meer baten.

Hierna verboden de Djacatraansche grooten aan hun stadgenooten verder aan den bouw van het fort mede te werken en Bantam vaardigde een dergelijk verbod uit. De versterking was echter reeds zoo ver gevorderd, dat Coen er zich mee kon behelpen. Widjaja Krama begon nu ook om zijn stad muren op te trekken en haar met bolwerken te versterken, zoogenaamd met het oog op den Matarammer, en hij ontving van de Engelschen, die de Hollanders al spoedig naar Djacatra gevolgd waren, en die zich steeds nauwer bij Widjaja Krama aansloten, zelfs een stuk grof geschut' ten geschenke. Den mond der Tjiliwoeng liet de pangeran met palen afsluiten, maar uiterlijk bleef de vriendschappelijke verhouding tusschen hem en den G.G. voortbestaan. Zelfs vroeg de eerste aan Coen duizend realen te leen voor de onkosten van zijn versterkingen, een som welke hij verkreeg, met nog twee honderd als geschenk daarenboven. Nooit vroeg hij Coen ronduit

x) Men bleef Djacatra echter nog steeds als een voorloopig „rendez-vous" beschouwen.

Sluiten