Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zijn afgenomen en stond in belangrijkheid ver bij den landbouw achter. Herhaaldeijk wordt er meegedeeld, dat de vorst van Mataram gebrek aan scheepsvolk en schepen heeft, hoewel voor de laatsten materiaal genoeg aanwezig was. In 1622 erkende de panembahan aan den gezant De Haen, dat hij geen prauwen had, groot genoeg om naar Soeratte (op de westkust van VoorIndië, ten noorden van Bombay) of naar de kust van Koromandel te varen.

De groote handelssteden aan de kust hadden het juist in deze tijden hard te verantwoorden en de herhaalde belegeringen en verwoestingen waaraan Toeban, Gresik, Djaratan en Soerabaja bloot stonden, deden, zooals van zelf spreekt, handel en verkeer veel afbreuk. De vaart naar verschillende afzetgebieden als naar Malaka, de Molukken, Banda enz. werd bovendien door de Hollanders verhinderd en bemoeilijkt en verder dan de Archipel schenen de reizen der 'Javanen zich niet meer uit te strekken.

Ook het leven der landbouwende bevolking werd door den oorlogstoestand, waarin Agoeng Java voortdurend deed verkeeren, geheel ontwricht. Gewoonlijk werden er drie honderd duizend man 's jaars op de been gebracht, waarvan er zeer velen omkwamen. Toen de panembahan in een treffen met Soerabaja eens veertig duizend man verloor, beschouwde hij dit volstrekt niet als een Pyrrhus-overwinning: zijn land was zóó dicht bevolkt, dat den vorst deze verliezen onverschillig waren. Het telkens leveren van nieuwe contingenten veroorzaakte echter herhaaldelijk een tekort aan handen voor den sawahbouw. Duurte van rijst,') hongersnood, epidemieëna) en groote sterfte waren daarvan wederom het gevolg. Dit was o.a. in 1618 het geval en eveneens in 1626, toen op verscheiden plaatsen twee derde der inwoners te gronde ging.3) Het verplaatsen der bewoners van de eene streek naar een ander, bij wijze van straf, strekte ook niet tot bevordering van een geregelde 'bewerking van den grond. Gansche dorpen van een opstandig regent werden soms leeggehaald en de bewoners naar de hofstad gezonden om daar werk voor den vorst te verrichten. Dit overkwam o.a. den bewoners van het opgestane Padjang in 1622, die toen tichelsteenen moesten bakken voor den nieuwen kraton, Plered, welke Agoeng bezig was te laten bouwen.

Diens eerste kraton- was gelegen te Karta in Mataram, een zeer groote en niet ommuurde plaats, met een dichte bevolking. Hier werden eiken dag, naar men aan een Hollandsch gezant vertelde, voor het volk in den omtrek vier duizend stuks vee geslacht, waarvan het vleesch op de naburige pasars, die wel duizend in aantal waren, werd verkocht. Als de vorst de gongs op alle vier hoeken van Karta liet slaan, kon men uit de omliggende dorpen en

1) In 1624 bestond er rijstschaarschte door den oorlogstoestand en door misgewas

wegens gebrek aan regen. . „ aa„

2) in 1625 heerschte er op vele plaatsen aan de kust een borstziekte, d«e zulk een benauwdheid bij de patiënten veroorzaakte, dat zij binnen het uur dood wareru Ontelbaar veel menschen waren er aan bezweken, volgens Coen. Zie De jonge-Opkomst V pag. 100.

a) Zie de Jonge-Opkomst V pag. .107 en pag. 114.

Sluiten