Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren, dat dit aan het licht zou komen, verhinderden de doorreis der gezanten naar Mataram, zoodat Agoeng waarschijnlijk nooit heeft geweten, dat de Compagnie in 1616 getracht heeft hem te bereiken. En in Djapara was in 1617 nog steeds geen steenen loge voor de Hollanders gebouwd. Hun toestand verbeterde evenmin door het vierde gezantschap, in Juni 1618 afgezonden. Dit drong wel in het binnenland door, doch Agoeng 's residentie bereikte het niet; Toemenggoeng Singa Rana ontving de afgezanten buiten de stad en voerde met hen de besprekingen. Ditmaal was de keizer

— dien de Hollanders niet te zien kregen — waarschijnlijk wel van hun komst op de hoogte, doch handelde hij op aandringen van de regenten, die veel kwaads van de Hollanders vertelden. Inderdaad hadden sommige van hen zich te Djapara weinig voorbeeldig gedragen en werden zij bovendien — en terecht — van het wegrooven van jonken beschuldigd.') Nauwelijks waren de gezanten, die niets kwaads vermoedden, eenige weken te Djapara terug, of zij werden met alle andere daar aanwezige Hollanders gevangen genomen. Eenigen werden bij den overval van het kantoor gedood en zeventien man zond de regent gevankelijk naar Mataram. Volgens Baoereksa zeiven handelde hij op last van zijn vorst, die het hem reeds vier maal had bevolen; telkens was hij voor de Hollanders opgekomen, ditmaal had hij echter, uit vrees voor zijn eigen leven moeten gehoorzamen.

Voor de Hollanders op de kantoren in West-Java was het een onverwachte slag, daar zij niettegenstaande hun ongepaste handelingen, waanden met-Mataram op den besten voet te staan. Uit wraak liet Coen op het eind van het jaar (1618) een deel der stad Djapara verwoesten en eenige schepen aldaar veroveren en verbranden. Toen hij de stad in Mei 1619, op weg van Ambon naar het belegerde Djacatra aandeed, en het bleek dat de Hollandsche gevangenen nog niet teruggegeven waren, verbrandde hij de stad opnieuw voor een deel, iets waarover de panembahan zich weinig bekommerdeOnderwijl had de vorst den oorlog onverpoosd doorgezet en alle vijanden, die hij aanviel, voor zich doen buigen. Pasoeroean onderwierp zich in 1617, het nogmaals opgestane Padjang in 1618. Uit dit gewest werd toen

— evenals in Wirosobo was geschied — de bevolking grootendeels weggenomen en naar Mataram overgeplaatst, om daar te werken.2) De hoofdstad Padjang werd met den grond gelijk gemaakt. Toeban moest in 1619 het hoofd in den schoot leggen, 8) waf een groote slag voor Soerabaja was. Met den vorst hiervan had Coen zich juist in verbinding gesteld; de G.G. schonk den Soerabajaan een paar stukken geschut, die volgaarne aangenomen werden en den vorst deden beloven, dat alle schepen, te Gresik aankomend, eerst voor de loge der Hollanders zouden ankeren, eer ze doorvoeren naar Djaratan.

*) Volgens de Hollanders hadden niet zij, doch de Engelschen dat gedaan, maar inderdaad was het bevel van Coen zelf uitgegaan.

2 ) De gezant Maseyk passeerde in 1618 de leege dorpen in Padjang. Vergelijk blz. 92 hiervoor.

3) Agoeng kwam toen in bezit van de vele olifanten, die de pangeran aldaar er op na had gehouden.

Sluiten