Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de oostzijde, den gevaarlijksten kant met het oog op den reeds vroeg dreigenden aanval van Mataram, werd in 1623 een gracht gegraven en een met bolwerken versterkte wal opgeworpen. Later werd die gracht afgekeurd en vervangen door een, die recht Noord-Zuid liep tot aan de rivier, welke naar het Oosten omboog en voorloopig de zuid- en westgrens van de stad vormde. Aan het einde van en over de Oostgracht lag een brug, die men door de stadslandpoort bereikte en die leidde naar den Heerenweg (weg van Djacatra) die o.a. bij de koestal (bij de tegenwoordige Roode Brug) uitkwam. Poort en brug werden beschermd door het reduit Hollandia. Het terrein tusschen rivier en Oostgracht werd met straten en met het oog op de afwatering, met grachten ') doorsneden en met den grond uit de laatste opgehoogd, want de stad werd — evenals dit met het oude Djacatra het geval was geweest — midden in moerassen aangelegd. Aanvankelijk was de voornaamste straat de Prinsenstraat, die van de kasteelsbrug recht naar het Zuiden liep. Daaraan evenwijdig werd meer oostelijk de de Tijgersgracht gegraven, waaraan op den duur de aanzienlijkste huizen zouden verrijzen. Zij liep langs de oostzij van Stadhuis 2) en Stadhuisplein, aan welks westelijken kant de Hollandsche kerk, die achter op de rivier uitkwam, zou verrijzen.3) Zij werd voorts door vier grachten, waaronder de Leeuwinnegracht en de Amsterdamsche gracht gesneden. Klappers werden al spoedig langs grachten en wegen aangeplant en deze hadden de voortdurende zorg der regeering. Zooveel mogelijk werd de bouw van steenen huizen bevorderd om het brandgevaar te verminderen en toen in 1622 vele Chineesche houten woningen waren afgebrand, werd bevolen er slechts steenen voor in de plaats te zetten; hetgeen echter volstrekt niet nagekomen werd.

In 1627 beraamde men reeds plannen om ook op den westoever van de rivier, waar reeds enkele huizen gebouwd en erven uitgezet werden, een terrein, dat nog meest als weide en moestuin in gebruik was, met een gracht te beveiligen, waarna ook daar straten en grachten zouden aangelegd worden.

Buiten de wallen moest men zich in de eerste tientallen jaren niet wagen: de verdreven Djacatranen en de op het aangroeien van Batavia afgunstige Bantammers loerden op eiken vreemdeling, die zich op het land waagde. Wilde dieren, zooals tijgers, die uit de wildernissen in de onmiddellijke nabijheid te voorschijn kwamen, vertoonden zich herhaaldelijk tot bij de vestingwerken. De naaste omtrek was zoo moerassig, dat al het land in den regentijd blank stond en dat elke wandeling buiten de poorten onmogelijk was. Hierdoor waren de Batavianen in hun bewegingen uitermate beperkt. Voordeel uit de naburige bosschen trokken de burgers in zooverre,

!) Zij dienden ook voor het goedkoope vervoer te water door de stad. Dat zij Batavia een Hollandsch voorkomen verleenden was iets bijkomstigs (mededeeling van Dr. F. de Haan).

2) Voorloopig maar één verdieping hoog, doch berekend op latere verhooging; in 1626, den 30sten Mei, werd de bouw begonnen.

3) In 1632 begonnen.

Sluiten