Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat herten- en varkensvleesch een dagelijks voorkomend artikel op de pasars was en dat in den eersten tijd timmer- (o.a. djati-) en brandhout overvloedig en gemakkelijk te krijgen was.') Maar het haast ontoegankelijke en onveilige der omstreken had ook ten gevolge, dat de Hollanders te Batavia in volslagen onbekendheid met het achterland van hun vestiging leefden. Wat daar voorviel drong tot hen niet door en dat b.v. Mataram zich steeds meer in de Preanger vastzette bleef hun geheel verborgen. Wel verklaarde Coen, die misschien van den omvang van het oude rijk Padjadjaran vernomen had en met den wensch bezield was om de Hollanders op den duur een groot stuk van Java te doen verwerven, dat de Compagnie aanspraak maakte op al het land, begrensd door de Java-zee, den Indischen Oceaan, het gebied van Bantam en dat van Cheribon2) doch juister voor den eersten tijd was, dat het gebied van Batavia zich zoo ver uitstrekte als de Compagnie tegen vijanden kon vrijwaren. Om landbezit bekommerde deze zich overigens zeer weinig; van belang achtte zij alleen de vrije vaart op de rivieren in den omtrek en de houtkap daarlangs. 3) De bevolking van de nieuwe stad bestond voor het overgroote deel uit niet-inheemschen; lang duurde het eer zich inwoners van Java uit vrije verkiezing te Batavia vestigden: in 1635 woonden er nog slecht dertig Inlandsche gezinnen, die bovendien met wantrouwen door de Regeering werden gadegeslagen, daar men van hen samenspanning met kwaadwilligen buiten de wallen vreesde. Het aantal Hollanders, dat zich er na afloop van hun dienstverband als burger vestigde, was naar Coen 's zin steeds onvoldoende. En gewoonlijk bleven zij er slechts zoolang, tot zij genoeg verdiend hadden om in het eigen vaderland voortaan onbezorgd te kunnen leven. Vooral de vrouwen vertoonden sterke neiging om zoo snel mogelijk naar Holland terug te keeren, en het voor haar eentonige leven in een stad, die haar niets aanlokkelijks te bieden had, vaarwel te zeggen. Weinig succes had ook Coen's herhaald aandringen bij bewindhebbers om toch vele meisjes en jongelieden over te zenden zoodat daarmede een echt Nederlandsche kolonie te Batavia (en op andere plaatsen) gesticht kon worden. Het ontbrak de stad, klaagde G. G. de Carpentier in 1627, vooral aan fatsoenlijke Nederlandsche gezinnen, die er toch materieel alles zouden vinden, wat zij begeerden. Waarom kwamen die toch niet? Holland zelf echter bood kansen genoeg om daar goed aan den kost te komen en doordat de Nederlanders veelal een zeker heden boven een onzekere toekomst verkozen, de reis zeer bezwaarlijk en de gehechtheid aan familie en omgeving grooter dan tegenwoordig was, had deze aansporing eveneens weinig resultaat.

*) Toch werd ook al spoedig hout uit Soemedang (waar ook vee vandaan kwam) aangevoerd. Op den duur moest men 't verderop zoeken, voornamelijk langs de rivieren.

2) Zie over 'Coen's bedoeling om met zijn pretentie ook de Engelschen vandaar te weren en over de tegenspraak in zijn uitlatingen: Dr. F. de Haan Priangan III, pag. 2—3.

3) Dr. F. de Haan Priangan III, pag. 4.

Sluiten