Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Engelschen den voet dwars gezet had, was het bericht van dit alles hoogst onaangenaam. Met leede oogen zag hij vooral in de stad, die door recht van verovering uitsluitend aan de Hollanders toekwam, zijn gevaarlijke concurrenten verschijnen. ') Hij was dan ook niet genegen om éénige pretenties van de Engelschen toe te laten: zij hadden er zich onder het Hollandsch bewind te schikken. Een plaats voor een loge werd hun aangewezen, niet te zeer in de nabijheid van het fort — waar zij om gevraagd hadden — doch, met het oog op het gebeurde in 1618 en 1619 hooger de rivier op, daar waar vroeger het verblijf en de aloen-aloen van den pangeran van Djacatra hadden gelegen.2) De moeilijkheden tusschen de twee op elkaar afgunstige naties bleven niet lang uit. De Hollanders verweten den Engelschen, dat zij wel in de lusten, doch niet in de lasten der Compagnie deelden en o. a. lang niet genoeg medewerkten aan de blokkade van Bantam. De Engelschen van hun zijde vonden, dat de Hollanders hen in een hoek trachten te duwen. De verhouding tusschen beiden werd in 1623 (tijdens het G. G.-schap van De Carpentier) zeer verscherpt door de terechtstelling van verschillende Engelschen op Ambon, die beschuldigd waren van samenspanning tegen het Nederlandsch gezag op het eiland. De Engelschen meenden dat dit geheel ten onrechte was geschied en waren sinds dien geweldig op de Hollanders gebeten.3) In 1624 verklaarden zij, voortaan weer handel op Bantam te zullen drijven en zich niet meer aan de bepalingen van het tractaat te willen houden. In het laatst van dat jaar trokken zij gezamenlijk uit Batavia weg om een „Anti-Batavia" in Straat Soenda te stichten op het eilandje Lagoendi. Kwade gevolgen voor den handel van Batavia had dit niet, daar de Carpentier het verkeer der Engelschen met Bantam verhinderde door zich intijds van het bezit van Sebessi te verzekeren, een ander eilandje, tusschen Lagoendi en Bantam in gelegen. Bovendien ging de vestiging der Engelschen binnen zes maanden geheel te niet wegens groote sterfte op het ongezonde eiland en door andere tegenslagen. Met Hollandsche schepen werden de overgeblevenen op hun verzoek weer naar Batavia teruggevoerd, waar de verhouding toen voorloopig zeer goed was. Zoodra de herinnering aan de verlossing uit de ellende echter verbleekte, vingen de onaangenaamheden weer aan. In 1628 besloten de Engelschen toen wederom Batavia te verlaten, een besluit, waaraan de terugkomst van hun aartsvijand Coen, opnieuw G. G. geworden, niet vreemd zal zijn geweest. Met Bantam hadden zij de betrekkingen weten te herstellen en daar bleven zij gevestigd, tot zij zich 'm 1684 door toedoen der Hollanders uit die stad moesten terugtrekken.4)

• x) De Engelschen hadden eerst, doch tevergeefs, getracht van den Bantamschen koning verlof tot het stichten van een versterkte loge in de buurt van Bantam te verkrijgen. - ,

2) Zie het Schetskaartje bij blz. 78.

3) Zie over de „Ambonsche moord" de Jonge V, pag. II en volg.

*) Zie de Jonge V, pag. XLII en volg. Ps^j^ÉÏ

Sluiten