Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r

landen. De hoofdzaken van een en ander zijn samengebracht in bijlage A van de Memorie van Toelichting bij het nader te noemen wetsontwerp.

Terwijl, gelijk reeds werd medegedeeld, de Staatscommissie de vraag overwoog, of er reden kon bestaan tot ingrijpen van overheidswege tot het bestrijden der duurte, verscheen in de Troonrede, waarmede op 19 September 1919 de zitting der Staten-Generaal werd geopend, de mededeeling, dat. bepalingen zouden worden ontworpen tegen het maken van woekerwinsten. Aangezien bij de overwegingen der Staatscommissie deze vraag eveneens ter sprake was gekomen, heeft deze mededeeling de Staatscommissie aanleiding gegeven zich dienaangaande met den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in verbinding te stellen. Dit heeft geleid tot overleg met de Departementen van Landbouw, Nijverheid en Handel en van Justitie, welk overleg gedurende de voorbereiding van het na te noemen wetsontwerp is voortgezet.

In verband met deze plannen en tevens teneinde verschillende andere gegevens te erlangen, richtte de Staatscommissie zich op 23 September tot de besturen der gemeenten boven 20.000. zielen met een schrijven vergezeld van twee vragenlijsten, als bijlage C hierachter afgedrukt. Op de vele uitvoerige antwoorden, die de Staatscommissie ontving, wördt in den loop van dit rapport nader ingegaan. De Staatscommissie mag den betrokken gemeentebesturen voor de ondervonden medewerking dank zeggen.

Nadat de Staatscommissie op de in Hoofdstuk II nader te bespreken gronden tot de overtuiging was gekomen, dat er aanleiding bestond tot het ontwerpen van maatregelen ter bestrijding van het onredelijk opdrijven en hooghouden van prijzen, is onverwijld hiertoe overgegaan. Het gevolg was, dat bij missive van 29 October 1919( met gebruikmaking van de onder c van haar opdracht aan de Commissie toegekende bevoegdheid, aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel een daartoe strekkend ontwerp van wet werd aangeboden. Dit ontwerp is, nadat door de Regeering enkele wijzigingen waren aangebracht, bij Koninklijke Boodschap van 27 November 1919 bij de Staten-Generaal aanhangig gemaakt. Het werd op 26 Maart 1920 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal verworpen. Het ontwerp, gelijk

Sluiten