Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

commissie, voor het invoeren of handhaven van toeslagen uit de openbare kas op de prijzen van eerste levensbehoeften bijzondere redenen aanwezig zijn, gelegen óf in het feit, dat in het algemeen de voorziening van een groot deel der bevolking met zoodanige levensbehoeften te wenschen overlaat, óf in zeer belangrijke prijsstijging van een of meer dier levensbehoeften, die voor het welzijn der bevolking onmisbaar zijn en ten gevolge van die prijsstijging, in verband met de algemeene koopkracht der bevolking, niet meer in voldoende mate binnen algemeen bereik liggen.

De vraag, hoe in het algemeen de voorziening in de behoeften der bevolking met eerste levensbehoeften zich verhoudt tot de op dit stuk bestaande toestanden vóór den oorlog, werd reeds in Hoofdstuk I onder het oog gezien. De conclusie, waartoe het aldaar gevoerd betoog leidde, was, dat, terwijl in vrijwel alle landen om ons heen overeenkomstig de veranderde productieverhoudingen in de wereld een min of meer doorgevoerde beperking in het verbruik van verschillende eerste levensbehoeften viel aan te wijzen, in het algemeen genomen het verbruik hier te lande niet beneden het peil van vóór den oorlog bleef. Tegenover de prijsstijging kon geacht worden een toeneming van koopkracht te staan, die, welke onderlinge verschuivingen zich mogen hebben voorgedaan, in doorsnede vermoedelijk niet of althans niet belangrijk beneden de stijging der prijzen bleef. Uit deze overwegingen kan naar het oordeel der Staatscommissie slechts de conclusie worden getrokken, dat, afgescheiden nog van de consequenties, die eene toepassing in ruime mate van het toeslagbeginsel voor de Staatsfinanciën zou medebrengen,, voor eene dergelijke min of meer algemeene toepassing van het stelsel onder de huidige omstandigheden geen reden bestaat.

De vraag, of voor bepaalde levensbehoeften zoodanige toeslag reden van bestaan heeft, moet onder deze omstandigheden geheel afhangen van het prijsverloop van deze speciale levensbehoeften. Inderdaad zoude, gelijk reeds werd opgemerkt, voor deze artikelen gewezen moeten kunnen worden op prijsstijgingen, welke het gemiddelde belangrijk overtreffen, zoodanig, dat, in verband met de algemeene koopkracht der bevolking, de voorziening in de behoefte aan deze artikelen bleef beneden hetgeen uit algemeen oogpunt wenschelijk

Sluiten