Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest worden geacht. Naar het oordeel der Staatscommissie geeft, aldus bezien, het oogenblikkelijk prijsverloop der voornaamste levensbehoeften geen aanleiding voor een of meer dier levensbehoeften zoodanige toeslagen in overweging te geven. Wel is sedert de laatste cijfers, welke in dit rapport konden worden opgenomen — Augustus 1920 — van verschillende levensbehoeften de prijs weder eenigermate gestegen, doch ook met inaanmerkingneming van dit feit kan de Staatscommissie zich met het oog op de in Bijlage A onder B2 weergegeven cijfers niet tot eenig voorstel in deze richting gerechtigd achten. Blijkens deze cijfers toch is op basis van Augustus 1920 van de verschillende groepen de prijsstijging in de groep „vleesch" het grootst. Het indexcijfer beloopt daar 262,5 tegen een totaal gemiddelde van 218,6. Van de goedkoopste soort vleesch is het cijfer echter 200, terwijl bovendien bij deze cijfers niet in aanmerking is genomen het in bevroren toestand uit den vreemde aangevoerd vleesch, dat niet onbelangrijk in prijs beneden het inlandsch vleesch blijft. Intusschen worden nog steeds door bepalingen in gemeentelijke verordeningen op de vleeschkeuring en andere omstandigheden in verschillende gemeenten aan de consumtie van dit vleesch belemmeringen in den weg gelegd. Verdere hooge cijfers vertoonen rijst, raapolie, stroop, gort en enkele andere artikelen. Met het oog op de positie, die deze artikelen in het geheel der volksvoeding innemen, en hun vervangbaarheid door andere minder in prijs gestegen artikelen, geven ook deze artikelen de Commissie geen aanleiding toepassing van het toeslagbeginsel in overweging te geven.

De positie van het brood, als het hoofdvoedsel der bevolking, is eenigszins een bijzondere. Ook hier overtreft, wat het wittebrood betreft, de stijging volgens de Augustus-cijfers— 277 tegen 218,6 — het gemiddelde. Het bruinbrood, waarop toeslag gegeven werd, is gestegen tot 160. De merkwaardige verschuiving in het verbruik juist in de richting van het duurdere wittebrood, waarop reeds in Hoofdstuk I gewezen werd, toont echter voldoende aan, dat, stelt men den eisch, dat inderdaad de prijsstijging op het verbruik een drukkenden invloed moet uitoefenen, deze eisch zeer zeker niet vervuld is.

Zou dit op zichzelf tot de conclusie moeten leiden, dat niet alleen voor toeslag op wittebrood geen plaats is, doch dat zelfs ernstig de

Sluiten