Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men zich tegen het feit der winstmaking zelve zal hebben te richten en de eigenlijke oorzaken slechts zeer zijdelings zal kunnen treffen. Dit is mede een der redenen, waarom de Staatscommissie gemeend heeft de voorkeur te moeten geven aan een wijze van ingrijpen, die tegelijkertijd poogt om, voor zoover zulks mogelijk is, de oorzaken zelve te ondervangen.

Deze derde vorm van ingrijpen in contracten en terugbrenging van prijzen door bijzonderlijk daarvoor in het leven te roepen organen is ten slotte nedergelegd in het ontwerp van wet door de Staatscommissie aan de Regeering aangeboden.

Bij haar optreden ontving de Staatscommissie een schrijven van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, waarbij aan de Staatscommissie werd toegezonden een verslag van een bespreking met de Nijverheidseohsulenten, den Directeur van het Nijverheidslaboratorium en de Middenstands-adviseurs, waarbij aangedrongen werd op de instelling van gemeentelijke prijzencommissies, over het land verdeeld gelijk de bestaande huurcommissies, aan wie zou worden opgédragen het onderzoeken en uitspraak doen inzake klachten over prijsopdrijving in den kleinhandel.

Nadat de reeds in de inleiding vermelde zinsnede in de Troonrede, waarbij bepalingen tegen het maken van woekerwinsten in uitzicht werden gesteld, geleid had tot overleg met de betrokken Departementen van Algemeen Bestuur, werd op 23 September 1919 aan de besturen der gemeenten boven 20.000 zielen een eveneens reeds in de inleiding genoemd rondschrijven gericht, hetwelk als Bijlage C aan dit rapport is toegevoegd. In dit schrijven werd medegedeeld, dat bij de Staatscommissie de vraag in overweging was of niet, gelijk elders reeds geschiedde, ook hier te lande eene organisatie in het leven ware te roepen, bestaande uit een centrale commissie en uit plaatselijke commissies, welke laatste haar aandacht zouden wijden aan den kleinhandel. In bijlage A werden enkele vragen gesteld nopens reeds bestaande duurtecommissies, en voorts o.a. de vraag, of het wenschelijk werd geacht aan deze commissies wettelijke bevoegdheden te geven tot het voor zich doen verschijnen van personen, het onderzoek van boeken, het binnentreden van woningen e. d. Uit de antwoorden blijkt, dat in verschillende gemeenten tot op dat oogenblik geen plaatselijke duurte-

Sluiten