Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Distributiewet 1916 den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel bevoegdheid geeft tot inbezitneming na voorafgaande vordering. Weliswaar is door de artikelen 5 en 9, eerste lid, dier wet het recht tot vordering tot zekere hoogte beperkt, terwijl zich ook de mogelijkheid denken laat, dat de Distributiewet 1916 eerder wordt ingetrokken dan de thans voorgestelde wet. Niettemin is het onnoodig geacht in dit wetsontwerp eene afzonderlijke bevoegdheid tot inbezitneming te vestigen. Mocht te eeniger tijd de Distributiewet 1916 worden ingetrokken, dan zoude zulks bij de intrekking nog altijd kunnen geschieden.

Ook het vraagstuk der maximumprijzen is in het ontwerp niet aangeroerd. De bevoegdheid deze uit te vaardigen berust thans op de artikelen 2 en 8, derde lid, der Distributiewet 1916, zoodat te dezen opzichte hetzelfde geldt als voor de bevoegdheid tot inbezitneming.

Artikelen.

Art. 2. Een onderzoek als bedoeld onder a wordt ingesteld, wanneer zulks „in het algemeen belang der bevolking" gewenscht wordt geacht. De tusschen aanhalingsteekens geplaatste woorden, welke in artikel 3 en in eenigszins andere redactie in artikel 27 terugkeeren, karakteriseeren het optreden van den centralen raad en de duurteraden. Zoowel bij het instellen van een onderzoek als bij het ingrijpen in contractueele verhoudingen moet het algemeen belang richtsnoer zijn. Tegelijk geven deze woorden zekere aanwijzing bij de keuze van de aan een onderzoek te onderwerpen bedrijfstakken en van de gevallen, waarin toepassing van de artikelen 3 en 27 gewenscht is. Bij artikelen van dagelijksch gebruik is het algemeen belang in hooger mate betrokken dan bij weeldeartikelen.

Nog eene beperking, welke in het bijzonder voor het ingrijpen krachtens artikel 3 van beteekenis is, ligt in deze woorden opgesloten. Het optreden van den raad moet het algemeen belang „der bevolking" dienen. De export valt dus buiten den opzet dezer artikelen.

De redactie van de verschillende hoofden van artikel 2 is met opzet ruim gekozen. De centrale duurteraad is bevoegd aan alle zijden van het duurtevraagstuk aandacht te geven.

Art. 3. Het eerste lid eischt de aanwezigheid van twee elementen, wil de centrale raad zich tot ingrijpen in contractueele verhoudingen gerechtigd kunnen achten. De eisch, dat zulks strekken moet „in het algemeen belang der bevolking" is reeds bij artikel 2 besproken. Het tweede element is, dat een en ander noodig wordt geacht „ter bestrijding van het onredelijk opdrijven of hoog houden van prijzen of ter bestrijding yan het beperken van de productie of den aanvoer van goederen of van het aanbod van goederen of diensten". Dit doel moet dus door het ingrijpen worden gediend.

Naast het terugbrengen van prijzen en het geheel of gedeeltelijk

Sluiten