Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de eerste plaats bestond de verplichting tot het aanbrengen van den prijs niet voor een groot aantal levensmiddelen. Bij decreet van 13 Augustus 1919 is de verplichting tot het merken in de winkels uitgebreid tot alle levensmiddelen, drankeh en brandstoffen en bestaat die. verplichting ook ten aanzien van hallen, markten en straatverkoop.

In de tweede plaats werd geklaagd, dat het publiek nu wel kon zien wat het te betalen had, maar geen maatstaf had om na te gaan of de gevraagde prijs ook redelijk was. Met het oog hierop heeft de Regèering voor ieder departement eene „Commission des prix normaux" ingesteld. Deze commissies stellen iederen Zaterdag een lijst van normale prijzen vast. Aan deze lijsten wordt zooveel mogelijk openbaarheid gegeven. De winkelier, die de lijsten in zijn winkel ophangt, geeft daarmede te kennen dat hij tegen die officieel als redelijk erkende prijzen wil leveren. Hangt hij die lijst niet op, dan is hij verplicht een lijst te hebben, waarop de door hem zelf vastgestelde prijzen voorkomen.

De „prix normaux" onderscheiden zich dus hierdoor van maximumprijzen, dat zij niet voor het geheele land doch districtsgewijs worden vastgesteld. In de tweede plaats is het den winkelier niet — zooals bij de maximumprijzen — verboden boven de normale prijzen te verkoopen. Tegen dit stelsel van „prix normaux" worden verschillende bezwaren ingebracht. Met name voeren de tegenstanders aan, dat het de goederen van de markt verdrijft, eene critiek, die de Consul te Parijs niet geheel ongegrond acht. Niet alleen, dat het publiek in de open markt al te veel geneigd is zonder meer den gevraagden prijs te betalen, doch ook clandestine aankoop blijkt het nemen van woekerwinst mogelijk te maken. De slotindruk van den Consul is evenwel, dat de maatregel der normale prijzen tot nu toe meer goeds dan kwaads brengt; met name wijst hij er op, dat de officiëele lijsten het voor de politie veel gemakkelijker maken om op te treden tegen „spéculation illicite", waarover meer.

5e. Repressieve wetgeving. Reeds vóór den oorlog beschikte men in Frankrijk over de artikelen 419 en 420 van den Code Pénal.

Artikel 419. „Tous ceux qui, par des faits faux ou calomnieux „semés a dessein dans le public, par des suroffres faites au prix que „demandaient les vendeurs eux-mêmes, par réunion ou coalition entre „les principaux détendeurs d'une même marchandise ou denrée, tendant „a ne pas la vendre ou a ne la vendre qu'un certain prix, ou qui, par „des voies ou des moyens frauduleux quelconques, auront opéré la „hausse ou la baisse du prix des denrées ou marchandises ou des „papiers et effects publics au-dessus ou au-dessous des prix qu'aurait „déterminés la concurrence naturelle et libre du commerce, seront punis „d'un emprisonnement d'un mois au moins, d'un an au plus, et d'une „amende de cinq cents francs a dix mille francs. Les coupables pour„ront de plus être mis, par 1'arrêt ou le jugement, sousla surveillance „de la police pendant deux ans au moins et cinq ans au plus".

Sluiten