Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING

stonden tegen den christelijken godsdienst moest ook hun kunst wel anti-godsdienstig zijn.

We geven gaarne toe, dat de kunst haar eigen terrein heeft. We geven evenzeer toe, dat het niet aangaat, een litterair kunstwerk als kunst te veroordeelen, omdat het on-religieus is.

Dat hebben wij, christenen, al te zeer gedaan en het gevolg is geweest, dat wij als schoon prezen, wat enkel waar en goed was; dat wij een boek litterair hoog stelden, als het nier schoon was, maar onze religieuze gevoelens tot uiting bracht.

Dat hebben wij gedaan tot eigen schade. Vandaar, dat wij met onze christelijke litteratuur zoo achteraan komen, vandaar ook, dat ons christenvolk nog maar zoo weinig litterair ontwikkeld is. Neen, het gaat niet aan, dat maar, even schouderophalend, stilletjes te laten zooals het is.

De opperste Kunstenaar en Bouwmeester is God. Hij gaf den mensch het kunstvermogen. Hij verleende aan enkelen de gave, in zang en dicht schatten van schoonheid te schenken. Wie nu de gave Gods minacht, moet werkelijk maar niet zoo prat-gaan op zijn christen-zijn. Onze christelijke kunst!

Is het niet tot onze beschaming, dat de christelijke kunst nog maar zoo weinig gekend wordt? En zou ook het leven van ons, christenen, niet veel rijker worden,

Sluiten