Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERLOREN ZOON

Bij 't eerste dageraan uittredende uit de schuren Naar 't braakveld op den enk, op oudgewijden trant Met kloekgespierden vuist den ruwen ploegstaart sturen En rechte voren snijde' in mijner vaadren land....

Niet opziend, maar omlaag; mijn arbeid, niet de stonden Bekennende, totdat, bij 't falen mijner kracht. De Vesper over 't veld welluidend zal verkonden: Wisch van uw voorhoofd 't zweet: uw dagtaak is

[volbracht!

En dan, (ontwarende hoe achter alle heggen Uit purprig avondgoud een malve schaduw schift,) Naar 't westen heengewend déze avondbede zeggen, (De ontroerde stem nog heesch van d'oude onreine drift):

Ik dank U, dat Uw licht mijn weelde heeft ontstoken; Ik dank U voor den trots van mijn ontuchtig hart; Ik dank U, dat Uw tucht zijn tarten heeft verbroken; Ik dank voor élke zonde: Ik dank voor élke smart.

Ja, 'k dank U. Omdat Gij, met 's levens lust en lijden, (Tweesnijdend kouterzwaard van Uw volmaakten spot) De steenrots van mijn hart ten akker woudt bereiden Voor 't langzaam kiemend zaad van Uwe liefde, o God!

(Experimenten. Uitgave Van Dishoeck, Bussum).

Sluiten