Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NAJAARSLAAN

Welk aardsche woning is gelijk

Aan dit, mijn sprookjesslot ?"

Trotsch, of ik een prinsesje waar,

Ging ik door 't goud;

Aan beide zijden stonden daar.

Schragend de gangen, hoog en zwaar.

De zuilen opgebouwd.

Waar gouden de portalen zijn.

Hoe zullen daar de zalen zijn!

Ik zag aan 't einde van mijn pad

Een kleine ronde poort.

Als blauw saffier in goud gevat.

En haastig, vol verlangen trad

Ik door de gangen voort.

Ik sprak: „Als bij mijn aankomst wijd

Die poorten openstaan.

In welk een groote heerlijkheid

Zal ik dan binnengaan,

Indien van goud de gangen zijn.

Hoe groot moet mijn verlangen zijn.

De zalen in te gaan!"

(Nieuwe Verzen. Uitgave G. F. Callenbach. Nijkerlc).

Sluiten