Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij, oud geworden, zich met oude vrienden overgaf aan liefelijke verbeelding en kleurige herinnering. De zeventiende eeuw is vol van de oude Fransche ridderlijkheid, is vol nog van geloof en verwachtingen, en hare uitspattingen zijn uitspattingen der phantasie. Zoo is de Fronde, ondanks de tragiek die in haar sluimert, toch niét anders geweest dan een gevaarlijk steekspel, een bloedig tournooi wel, maar een tournooi met wapperende vanen en kleurige linten en groote, romantische gemoedsbewegingen.

De vrouw heeft in de zeventiende eeuw een onmiskenbaren invloed gehad op het staatkundig leven, maar zij heeft het niet beheerscht, zij was de goede, en ook dikwijls de gevaarlijke kameraad van den Staatsman, den krijgsoverste, maar hij werd slechts door haar beïnvloed, niet voortgestuwd. Er was een lust tot leven in de Franschen der zeventiende eeuw, en de vrouw heeft met veel intelligentie dien lust tot leven beoefend en aangekweekt. Haar salon was het paradijs, waar men zich uit het woelige leven van oorlogen en staatsgrepen terug trok, en waar ook wel in feestelijken kout de gebeurtenissen van dat woelige leven werden voorbereid. Maar de weg naar den roem liep niet immer door de salons, en de meest schrandere intrigues van beroemde Frondeuses hebben niet kunnen verhinderen, dat de geheele Fronde afdoende werd onderdrukt.

Daar komt de achttiende eeuw. Frankrijk komt onder den scepter van Lodewijk XV, een verfijnden, overmatig luxueuzen Koning, in wien wij de stelling verwezenlijkt zien, dat een volk in zijne heerschers het karakter zijner cultuurperioden manifesteert. De tijd van de, ondanks alles, naieve le vensphan tasie, is met Lodewijk XIV voorgoed verdwenen, sceptiek beheerscht het Fransche leven, zooals zij beheerschen ging de Fransche literatuur, en ook de pijn van het leven deed zich gelden, het halfbewust, weemoedig voorgevoel van naderend onheil, dat zich in het bekende gezegde: „après nous le déluge" zoo merkwaardig heeft verraden.

Sceptisch was deze eeuw ten opzichte van de moraliteit. Het schaamtegevoel, het ridderlijk smachten en renonceer en, het hechten aan het wezen of het aannemen van den schijn van kuischheid verdween. „Wellust 1" zoo roept een harer beste

Sluiten