Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oagebondenheid in de zeden heeft in de achttiende eeuw haar tweelingzuster in de ongebondenheid van het intellect. Het intellect der Fransche vrouw heeft eene rapheid, een koortsige intensiteit,' een nerveuze intuïtie, die oorzaak is geweest van een wonderbaarlijken bloei van geestelijk leven, maar van geestelijk leven dat niet meer rustig was en harmonisch. Hoe ver zijn wij verwijderd van de gracieuze discussies van het Salon de Rambouillet, van de beminnelijke gezelligheid en gratie uit het Salon van Ninon de 1'Endos. Het is hier alles bewegelijk, intens, verfijnd.

Een der typen van de achttiende eeuw is de geestige babbelkous. Zij vertegenwoordigt de verachting der werdd om haar heen voor den ernst des levens, den glimlach waarmee die tijd het geheele leven overdekt, zooals zij het gelaat der vrouw overdekt met het masker van de schmink. De babbelkous vertegenwoordigt de vrees voor ernstige dingen, voor drukkende plichten in haar korte paradoxen, haar huppelende geestigheden, haar onstandvastige, snelvervhetende genegenheid.

Een afkeer heeft zij van iedere gewone, simpele denkwijze, het moet alles geestig zijn, raak, pikant, en vooral ephemeer. Zij mist groote idealen, maar heeft gradositeit in het kleine, zij is vol élégance, maar ook vol perverse verfijning. Het leven geniet zij als champagne, zij is dronken van de groote wereld, van de elegante wemeling der geestige gedachten en luxueuse levensgewoonten. Het papillotisme, met dat woord heeft men den predeuzen en bewegelijken vrouwelijken geest van dien tijd gekarakteriseerd.—

Maar onder die uitspattingen van verbeelding en leven ligt er .een groote onvrede, een onvoldaanhdd, een leegte op den bodem yan het vrouwenhart der achttiende eeuw. Haar levendighdd, haar neiging tot schoone phantasieën, zij zijn de teekenen van onrust, haar ongeduldigheid die voortdurend nieuwen honger heeft naar geneugten is de uiting van een innerlijke malaise, Wij moeten ons niet laten verleiden door den schijnbaren rijkdom, de schijnbare grootheid en schittering van dezen tijd, Indien wij dieper schouwen dan de oppervlakte, indien wij acht geven op wat deze tijd laat ontglippen in zijn bewegelijk vertoon, wij zullen als drijfveer van alle levens-

Sluiten