Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid. Zoo droeg ze een broche, waarop de kerk stond afgebeeld, waarin haar broer begraven was.

Naast Mme de Blot, schitterde in het Palais Royal de Comtesse van Clermont Gallerande, eene uitbundige vrouw, die in haar teugellooze ongedwongenheid alles er uit flapte wat ze in haar gedachte had, iedereen amuseerde, niet door haar geest, maar door haar levendige opgewektheid en de plotselinge grappigheid van haar invallen.

De vrouw echter, die, boven alle andere, het gezelschap in het Palais Royal vermaakte, was de markiezin van Pokgnac, die foei leelijk was, en wel op een oude apin geleek, maar door haar bruuske manieren en aardigheden en haar brutale répartis een roep van oorspronkelijkheid genoot, welke nauwlijks gerechtvaardigd was. Zij werd alleen gezocht, omdat zij de menschen deed lachen, en gevleid omdat men een beetje bang voor haar was. Ze was eigenlijk een ouwe brompot, maar als men om haar brommerijen lachte, dan lachte ze zelf mee, Haar oude liefde voor den graaf van Maillebois bekende zij aan ieder die het weten wilde, en het deerde haar weinig, indien men er zich over vermaakte. Haar boutades waren gaarne vernomen pikanterieëen, en héél het gezelschap was gewend aan de ongezoutenheid van haar discours, dat haar eens, toen men de levenslustigheid eener oude dame prees, deed uitroepen „Ja, ze is even levendig als de vlooien!"

De soupers van den Regent werden verzamelplaatsen van een pikant, mondain, exotisch gezelschap. Daar was de markiezin de Fleury, een intieme vriendin van de hertogin van Chartres, met haar mooie gezichtje, haar prachtige oogen, haar stroom van kinderachtigheden, een vrouw die vol was van koortsige verbeeldingen en plotselinge buitensporigheden, een vrouw van geest niettemin, die met alles den draak stak en geen eerbied kende dan voor haar eigen stand. Want toen de rechten van den adel werden aangevallen door Turgot, verdedigde zij deze tegenover Mme de La val met Castüiaanschen trots, „Ik weet", zeide zij, „dat de edelen wel eens de Koningen hebben gekozen, maar ik tart U, mij den Koning te noemen, «die ons tot edelen heeft gemaakt.

Sluiten