Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII.

OEN ze uit een diepen slaap wakker werd, kwam dadelijk de herinnering, dat was losgebroken en uitgeklaagd, wat strak vastgeklemd had gezeten in haar hart, dat ze zich

innerlijk geopend had voor iemand, die kort geleden nog vreemd was geweest. Ze trachtte te definiëeren, of ze spijt had zich te hebben laten gaan, öf dat nu de smart lichter woog. Had ze niet de dingen anders gezegd dan ze in werkelijkheid waren en beklemden?

Zou het eeuwige denken tot rust komen, nu één — wel n vreemde, maar toch „één" — te weten was gekomen, haar begrepen had, stil haar had laten uitschreien, zonder te praten van overdreven of grillig ? — Ze wist het niet; het was zoo moeilijk formuleeren met gedachten, die zich hadden kapot getobd.

Ze wreef zich de oogen, kwam rechtop zitten. Op tafel stond een donker fayence vaasje, waaruit goud-gele rozen opstaken, die een zachte geur verspreidden.

„Kijk eens. Zuster van Berkel liet het vaasje dichtbij zien, „beeldig dingske, hè ? en die bloemen, verrukkelijk ! Dit briefje was er bij."

Clémence bekeek het adres: „Zeker van 'n leerling,

Sluiten