Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Clémence, in licht-grijs zomercostuum, stapte uit. De ontmoeting was hartelijk.

„Leuk, dat je er bent, onze eerste logée," praatte Bep. „Ik ben met de auto ; de reis heeft wellicht vermoeid."

„Dat had niet gehoefd," verzekerde Clémence, ofschoon ze er zeer vermoeid uitzag en zwarte kringen zich teekenden onder haar oogen. „Ik had best kunnen loopen."

„Zeg, dat niet te hard," streed Bep ; „Sunny Home" ligt niet naast het station, dat weet je, en de Naarderweg stijgt bovendien."

Clémence voelde werkelijk na het hobbelen en botsen van trein en trem, het veerend schuiven van de auto over de effen, beschaduwde wegen als een weldaad. Zij ademde met diepe teugen de milde dennenlucht

in. „Hé heerlijk, zoo frisch"

„Stel je voor," zei Bep ineens pruttelig ; „mijn man is met thuis, zal wel 'n dag of vier in Utrecht moeten blijven. Hij zit met 'n auteur in 'n heel moeilijk parket, 'n echt gezeur."

„Op 't oogenblik ben je dus onbestorven weduwe," plaagde Clémence, vroolijk, omdat dit nieuwtje verademing bracht.

„Is 't niet treurig?" vroeg Bep, terwijl ze uit de auto wipte, en het hek langs ging, dat de chauffeur openschoof. „Kom mee, zeg; 'k heb in de serre koffie laten klaarzetten. Ik zal je goed wel even op ï logeerkamertje laten brengen. Straks kan je je opknappen .... eerst wat uit-

Sluiten