Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gezellig is *t hier." Qémence keek de kamer rond ; „prettig intérieur ; veel geel maakt altijd vroolijk, zoo licht.... En, was 'k vroeger hier geweest, dan had ik in mijn ziekte niet hoeven te vragen, of je van bloemen hield ; beeldige seringen en zoo'n mooien palm, n miniatuur-hortus heb je." Clémence ontdeed zich van hoed en mantel, waarnaar zuster van Berkel onder he* gesprek de handen uitstak.

„Aardige japon heb je aan," zei ze, „staat vroolijk zoo'n wit en blauwe streep. En ... je haar veranderd! Zie je nu, dat het modern kapsel je óók wel staat! Uitstekend zelfs : *t verjeugdigt. Waarom zou je niet meegaan met je tijd." Zuster van Berkel wipte naar het portaal, waar een kapstok stond.

.Achter is zeker je slaapkamer ?" vroeg Qémence, toen ze terugkwam.

„Spreek maar van slaapkamer#e; 't is niet meer dan 'n alkoof." Zuster van Berkel schoof de portières open. „Kijk, bokkesprongen moet je er niet maken. Toch, met licht op is 't er wat aardig."

Met verwondering zag Qémence naar een kruisbeeld, dat tegen den muur hing. In de voorkamer had ze een religieuze gravure opgemerkt. „Ben jij Róómsch ?" vroeg ze verbaasd.

„Kom, dat wist je toch ?"

„Welnee, hoe zou ik 't weten.

„Door je Mama ; heeft die 't niet verteld ?"

Sluiten