Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op een toon, die deed veronderstellen, dat zij zich niet gewonnen zou geven, praatte Clémence cynisch: ,,'t geeft nogal wat, je verzetten."

„Is er iets ?... thuis soms, of in Laren ?" Voorzichtigtastend gingen deze woorden van Leny naar Clémence.

„Volstrekt niet; ze zijn allemaal florissant, Bep ook. En tóch is iedereen, is de heele boel me op 't oogenblik onverschillig.... Dat je zooiets niet snappen kunt."

Leny stond tegen de tafel geleund, de handen geklemd om den rand. Het bleef eenige oogenblikken stil. Qémence ging zitten, speelde gedachteloos met de franje van het pluche'tafelkleed.

„Vertel eens, ben je gewend de krant te lezen ?" vroeg ineens Leny.

, »Nat«««;Jijk lees 'k die; anders verveel je je dood s avonds."

„ Je deed beter het te laten, nu met die triestige oorlogsberichten."

Clémence keek op, vroeg bijna uitdagend : „Moet 'k ook zoo nuchter en bekrompen worden, als degenen, die voor deze ellende niet voelen, omdat ze op mijlen afstand wordt geleden ?"

,/k Zou bijna zeggen, als je zoo aantrekkelijk bent, ja,"

„Tóch dank ik er voor."

Leny liet zich niet afschrikken. „Wat ben je koppig." „Koppig? dat ben 'k altijd geweest, merk je het nu pas ? Ik was vroeger soms niet te regeeren ; van kostschool

Sluiten