Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wit was. In de lange, gekleede jas scheen Vaders vriend langer geworden ; het was zijn magere gestalte, die den schijn er van wekte.

„Kijk, juffrouw Boogerd, hoe gaat *t ?" Notaris Elman klapte gemoedelijk Clémences hand tusschen zijn spitse vingers. „Qémence," durf *k niet meer zeggen, zooals in den tijd, dat jullie hier rondliepen met lange haren en een kort rokje .... Bep al getrouwd en jij zoo'n dame."

„Ach," praatte Qémence met matten glimlach, „m'n opgestoken haar en langere rok hoeven geen reden te zijn om me niet bij den naam te noemen."

„Dan zeg *k weer „Clémence."" — Notaris Elman klopte haar op den schouder, liet even zijn hand daar liggen — „zooals k je Vader dikwijls hoorde zeggen Jij was z'n oogappel, dat weten we allemaal."

Qémence voelde tranen tegen haar keel. Het streelde ; het was een triomf tegenover Mama. Maar het was zoo'n schrijnende triomf.

De koffietafel stond vroolijk gedekt met het gebloemd servies, de zilveren broodmand op een kleedje van Iersche kant, waarnaast de fijne bloemenvaasjes. Was het vanmorgen, dat ze van deze lelietjes-van-dalen takje voor takje had geknipt? Moeilijke uren sleepten zich voort, vergeleken bij de vroolijke, waarvan Paul had gezegd, dat zij gingen als rappe voeten .... Een verademing, dat notaris Elman haar zoo vriendelijk was tegemoet gekomen.

Sluiten