Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Denk je werkelijk mij te kunnen liefhebben ?" Pauls stem klonk geagiteerd. „Werkelijk? wederkeerig jij mij, ik jou ?

„Ja, Paul."

„O kind, 't is zoo'n rijkdom! Dat ik je nu eindelijk. er iets van geven mag, eindelijk mag zeggen, dat ik je ontzaglijk liefheb ....

Clémence zag op, verlegen als een klein meisje. Toen ineens haar blik in zijn klare, zonnige oogen, zooals een paar uur geleden, maar nu verreind door het wéten van beider groote liefde : „Paul, is 't heusch waar?

„Zoo waar als wij samen hier loopen, jij en ik. Den eersten keer, dat ik je ontmoette wist ik 't, en telkens als ik je terugzag, voelde ik, dat de liefde sterker en verlangender in mij was geworden. Het was ten slotte, of 'k niet meer kon zwijgen, ik had 't allen menschen willen toeroepen, hoe de liefde voor jou in me groeide en bloeide .... Ik heb gevreesd je stemming te verbreken, zoo kort voor den overgang tot ons geloof. Je blik, je lach, je. spreken, alles verraadde, hoe heel je wezen opgewend was naar het verhevene. Maar nu ben ik overtuigd, dat mijn liefde hoog genoeg staat, om voor je reinste gevoelens geen bezwaar te zijn. En dan, het moet voor later een voldoening zijn, wanneer ik je feesten heb meegevierd.

„Liefde," zei Clémence bijna voor zich heen, „hoeft niet te verbreken, wat hoog en schoon staat in ons zelf. Liefde kan veredelen, kan tot hoogere hoogte opwerken

Sluiten