Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk voel ik me nu als 'n kind zoo klein, zóó van hem afhankelijk

Op den hoek van het Leidsche plein, waar een plotseling opgestoken wind hen tegenwoei, plooide hij den kraag van haar japon tegen den blooten hals.

„Zóó, anders vat je kou ; dat je zonder mantel bent gegaan ; 't is nog pas April."

Zijn zorg was als een streeling van zijn hand. „Ik had niet 'gedacht zoo lang te blijven ; ik had héél den avond anders gedacht," bekende zij. .

„Toen we zoo stoeiden vanavond, zoo dwaas-uitgelaten ons toonden, dacht geen van beiden, dat we nog zooveel ernstigs, zooveel van ons diepste innerlijk zouden uitzeggen, vóór we van elkander zouden gaan. Is 't geen uitkomst, eindelijk te mogen uitzeggen, wat je zoolang verzwijgen moest, zoolang in je omdroeg ?

„Ja 1" straalde haar stem, en in het mooi geluk, dat heel haar wezen bevredigde met een warme glorie, gingen haar gedachten naar den blonden Meimorgen, die straks zou komen met het Wonder, en dat dan hij, Paul, naast haar zou knielen.

Het was alles te zamen een apotheose van geluk, het was om te zingen, zooals Beethoven dat deed in zijn Negende, om uit te jubelen in klare klanken over alle duisternis van het leven heen: „Freude, schoner Götterfunken l..

Sluiten