Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„lust" — tot geloof aan, eerbied voor, behagen in, de maatschappij en hare distincties, somwijlen tot den eerlijken waan, dat die collectiviteit, die uniformiteit de aardsche uitdrukking is van de Eenheid, waarover men zoo graag spreekt, maar van wier wezen men zich geen rekenschap geeft — ook wel tot een meer stellig dan gegrond geloof, dat de collectiviteit, wat haar nu ook nog ontbreke, eenmaal dat volkomen „idealistisch" karakter zal dragen, waarover men ook bijzonder gaarne spreekt, maar van welks wezen men zich evenmin rekenschap geeft — en dit alles treedt dan bij hen in de plaats voor de ware redelijke werkzaamheid, die onderscheiding is, die critiek is en die tegenover de collectiviteiten tot gansch andere conclusies voert!

Hoe hoog door de maatschappij, met haar boosaardige instincten tegen het excentrieke, de distinctie wordt gesteld en alles wat commun is veracht, blijkt uit de verwording der beteekenis van de woorden „slecht" en „gemeen". „Slecht" beduidt oorspronkelijk, naar we weten: eenvoudig, gewoon, distinctie-loos — deze .beteekenis komt nog het best uit in het „slechten" van een muur — „gemeen" beduidt hetzelfde, het algemeene, dat wat in de massa verdwijnt. Vergelijk ook: simpel en ordinair! Hoe minder „maatschappelijk" de mensch is, hoe minder de collectieve distincties — bezit, titel, naam — zijn eenige distincties zijn, hoe minder hij als inwoner van een bepaald land de inwoners van andere landen „veracht" en als lid van een bepaalden „clan" de leden van andere clans, hoe minder hij ook hecht aan maatschappelijke distincties, hoe minder hij minacht wat „slecht" en „gemeen" is. Maar ook hier geldt wat we van het dogmatisme zeiden: elke mensch is veel maatschappelijker dan hij in zelfverblinding en zelfoverschatting meestal erkent, daar de collectiviteit de projectie is van der Eenheid zelfconservatisme in ons allen, dat zich in ons allen tot conservatisme

Sluiten