Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogen zich vrijwillig te onderwerpen — niet uit onverschilligheid of winstbejag, maar uit inzicht — iemand boven den lagen staat verheft en onmiddellijk het volste recht geeft tot medezeggen, medewaken en medeheerschen! En dan verder — wat wordt hier al niet verwacht van de opvoeding door denzelfden mensch die zoo goed wist, dat „de meester wekt, maar niet leert," en die zijn geloof in het vooraf-bestaan en voortbestaan der ziel juist grondt op de potentieels aanwezigheid bij de geboorte van alle krachten en alle gedachten in den geest, gelijk dat wordt toegelicht in den „Menon'V waar Sokrates een jongen slaaf alleen door het verstandig en methodisch stellen van vragen tot het begrijpen van bepaalde mathematische stellingen brengt.

Zoo zouden we kunnen doorgaan, maar voor ons vormen Plato's waarachtig idealisme en Plato's „realistisch" levensbesef tezamen weer het beeld van den Vader en den Zoon, van Wijsheid en Goedheid, die zijn Eén en toch onderling verscheiden — die zich in de tot ontplooiing gekomen mensch naast elkander en met elkander openbaren en in hun onderlinge tweespalt een tragedie kunnen zijn: de tragedie van Sokrates. We komen op dit laatste terug.

En deze „tegenstrijdigheid" is dus niet een gevolg van Plato's bijzondere persoonlijkheid, maar van zijn. wezen, van het individualistisch Wezen, dat in alle tijden zichzelf gelijk blijft. Dat we in de Renaissance Platonische redelijkheid en Platonisch idealisme niet in één mensch vereenigd vinden, maar verdeeld en verstrooid, bewijst hiertegen niets. (Het bewijst wel iets anders, waarover later). Het is er, alevel. Platonische redelijkheid (inzicht omtrent de onvereenigbaarheid van Macht en Recht) vindenwe in Macchiavelli, Platonisch idealisme (de droom van een Blijde Wereld) in Thomas Morus' „Utopia". Duidelijk zien we hier nu weer de innerlijke overeenkomst

Sluiten