Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die, welke we in de vorige hoofdstukken hebben trachten te beschrijven, over den opstandeling, over den man, die op eigen gezag en met eigen geweten als richtsnoer beproeft in het maatschappelijk bestel, gelijk hij het als gegeven vindt, in te grijpen? De vraag stellen is eigenlijk alreeds haar beantwoorden — we hebben haar trouwens alreeds in algemeene termen beantwoord, willen nu alleen conclusies toetsen aan de werkelijkheid, aan een oppositie-figuur uit de zeventiende-eeuwsche litteratuur en wel Corneille's „Cinna", 't welk we tot beter verstand, gedachtig aan het in onze Inleiding ontvouwde, met „Julius Caesar" willen vergelijken. Een curieus verschijnsel is allereerst, dat Shakespeare zijn stuk naar den keizer noemde, en dat de opstandeling de werkelijke hoofdpersoon is — terwijl Corneille zijn stuk juist naar dezen noemde, maar inderdaad den keizer — gelijk vanzelf spreekt — naar voren schoof, op het eerste plan.

De sympathie van den Renaissance-geest, van Shakespeare, voor Brutus blijkt uit vele trekken. Allereerst uit de duidelijke neiging Caesar's figuur als het ware klein te maken, in te drukken, opdat Brutus' grootheid daartegen te heerlijker uitkome. Zoo legt hij den nadruk op Caesar's doofheid, zijn bijgeloovigheid, zijn neiging tot vallende ziekte — die hem weliswaar uit de berichten van Plutarchus als „feiten" bekend zijn, die hij dus natuurlijk niet zelf bedenkt, maar die hij ook had kunnen verzwijgen, gelijk, naar wij zagen, Corneille en Bossuet zoo veel verzwijgen. Dat Shakespeare de grootheid van Caesar echter wel heeft gevoeld, kan uit „Hamlet", „Richard III" en „Antonius en Cleopatra" aangetoond worden — te duidelijker wordt het daardoor juist, hoezeer de bedoeling heeft voorgezeten, Brutus als een eenzaam monument van zuivere hoogheid uit te heffen boven zijn geheele omgeving. Brutus is de idealist, de vlekkelooze idealist-wijze, gevoed met Platonisch en tyrannenhaat, de

Sluiten