Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die heeft z'n beste dagen gehad!" zegt Karei, terwijl hij 't dier op de groenig verweerde manen klopt.

„En toch is dit tegenwoordig 't beste rijdier van onzen stal!" klaagt Hendrik onder 't opstijgen. „Alles is aan 't verworden op den Cannenborg."

„Zorg dat je zelf niet mee vergaat," duwt de ander hem toe.

Zonder op te zien trekt hij den teugel aan, en 't paard stapt heen.

„Vurig als 'n muilezel!" schatert Karei. Lijsje springt dartel langs de pooten op en klapt in de handen. „Laat hem draven, Hendrik."

En hij poogt leven te krijgen in 't afgeleefde dier. Want hij moet weg en onder al de oogen uit, die hem plagerig nakijken. Hij zwaait tot laatsten groet met den hoed naar 't bordes, waar schimmig in de goud-wazende Octoberzon Fenne en haar moeder hem nawuiven en heer Herman, de armen jolig heffend, iets roept dat hij niet kan verstaan. Karei schudt z'n hand en Lijsje reikt hem haar spitse vingertjes. Dan blijven ze in de poort, en de schimmel klost met hem over de valbrug weg.

„Zoo paard, zoo ruiter!" grimt Hendrik tusschen de tanden. ... „Maar 't zal uit zijn!" Er woelt een wrevel in hem, en zóó gloeit de koortsige onrust in z'n hoofd, dat hij geen vaste gedachte kan vinden. Voor z'n oogen wemelt zon, verder ziet hij niets, 't Paard draagt hem over den zandweg het eenzaam bosch in, waar na den eersten vriesnacht, van de eiken en berken de gele bladeren neerritselen. Hendrik kreunt, hij richt zich op en rekt zich, om aanstonds ineenzinkend weer opnieuw te kreunen. Hij drukt de knieën tegen de flanken en stampt met z'n hielen zonder spoor, 't Verschrikte dier steigert op de achterpooten, staat dan eensklaps koppig pal..

Sluiten